Het hoofdkenmerk van de vermijdende-persoonlijkheidsstoornis is een pervasief patroon van sociale geremdheid, insufficiëntiegevoelens en overgevoeligheid voor een negatief oordeel dat begint op jongvolwassen leeftijd en tot uiting komt in een scala van situaties.
Mensen met een vermijdende-persoonlijkheidsstoornis vermijden op het werk activiteiten met veel contacten met anderen vanwege de angst voor kritiek, afkeuring of afwijzing (criterium 1). Als ze op hun werk een promotieaanbod krijgen, kunnen ze dat afwijzen omdat het niet kunnen omgaan met de nieuwe verantwoordelijkheden zou kunnen leiden tot kritiek van collega’s. Deze mensen vermijden het om nieuwe vrienden te maken, tenzij ze er zeker van zijn dat de ander hen zonder enige kritiek aardig zal vinden en zal accepteren (criterium 2). Tenzij het tegendeel wordt bewezen gaan zij ervan uit dat anderen kritisch en afkeurend zullen zijn. Mensen met deze stoornis proberen groepsactiviteiten zo veel mogelijk te vermijden. Interpersoonlijke intimiteit is vaak moeilijk voor deze mensen, al zijn ze wel in staat tot het opbouwen van hechte relaties als ze verzekerd zijn van onvoorwaardelijke acceptatie. Ze kunnen zich gereserveerd opstellen, liever niet over zichzelf praten, en intieme gevoelens voor zich houden vanwege de vrees zichzelf bloot te geven, te worden bespot of voor gek te worden gezet (criterium 3).
Aangezien mensen met deze stoornis gepreoccupeerd bezig zijn met gedachten over bekritiseerd of afgewezen worden in sociale situaties, kan bij hen de drempel voor het opmerken van dit soort reacties opvallend laag zijn (criterium 4). Als de ander zelfs maar een heel klein beetje blijk geeft van afkeuring of kritiek, kunnen zij zich hierdoor extreem gekwetst voelen. Deze mensen zijn vaak verlegen, stil, geremd en ‘onzichtbaar’, uit vrees dat als de aandacht op ze gevestigd wordt, die zal bestaan uit kritiek of afwijzing. Ze verwachten dat wat ze ook zeggen, anderen dit als ‘fout’ zullen beschouwen, en zeggen dan maar liever helemaal niets. Op subtiele signalen die zouden kunnen betekenen dat ze worden bespot of uitgelachen, reageren ze heel sterk. Ook kunnen ze een neutraal gebaar of een neutrale uitspraak verkeerd interpreteren als kritiek of afwijzing. Ondanks hun wel aanwezige verlangen actief aan het sociale leven deel te nemen, zijn ze bang om hun psychisch welbevinden in handen van anderen te leggen. Mensen met een vermijdende-persoonlijkheidsstoornis zijn in nieuwe interpersoonlijke situaties geremd omdat ze zich tekort voelen schieten en een gering gevoel van eigenwaarde hebben (criterium 5). Deze mensen zien zichzelf als sociaal onbeholpen, onaantrekkelijk als persoon, of minderwaardig ten opzichte van anderen (criterium 6). Bij sommigen kunnen de twijfels over hun sociale competentie en persoonlijke aantrekkingskracht het sterkst zijn in een omgeving waarin ze met vreemden moeten omgaan. Veel anderen melden juist meer problemen met herhaalde interacties waarin normaal gesproken persoonlijke informatie gedeeld wordt, oftewel in situaties waarin volgens de betrokkenen de kans groot is dat hun inferioriteit aan het licht komt en ze worden afgewezen. Bij het aangaan van een nieuwe langdurige verbintenis op sociaal of beroepsmatig gebied, waarin herhaalde interpersoonlijke interacties vereist zijn, kunnen betrokkenen er in de loop van enkele weken of maanden in toenemende mate van overtuigd raken dat collega’s of anderen hen als inferieur of waardeloos beschouwen. Dit resulteert in een ondraaglijke lijdensdruk of angst, met als gevolg dat ze zich terugtrekken. Er kan dus bijvoorbeeld sprake zijn van een voorgeschiedenis met veelvuldig van baan veranderen. Mensen met deze stoornis zijn buitengewoon onwillig om persoonlijke risico’s te nemen of nieuwe activiteiten te ontplooien, omdat ze zichzelf hiermee in verlegenheid zouden kunnen brengen (criterium 7). Ze zijn geneigd de mogelijke gevaren van heel gewone situaties te overschatten, en hun behoefte aan veiligheid en zekerheid kan tot een levensstijl vol beperkingen leiden.