Het vermijdende gedrag begint vaak al op peuter- of kinderleeftijd met verlegenheid, geïsoleerdheid, en angst voor onbekenden en voor nieuwe situaties. Verlegenheid in de kindertijd is vaak een voorloper van de vermijdende-persoonlijkheidsstoornis, maar verlegenheid neemt bij de meeste kinderen af naarmate ze ouder worden. Bij mensen bij wie zich wel een vermijdende-persoonlijkheidsstoornis ontwikkelt, wordt die verlegenheid juist erger tijdens de adolescentie en op jongvolwassen leeftijd, een periode waarin sociale relaties met nieuwe mensen bij uitstek belangrijk worden. Er zijn aanwijzingen dat de vermijdende-persoonlijkheidsstoornis op volwassen leeftijd minder uitgesproken wordt of met het toenemen van de leeftijd zelfs in remissie gaat; de prevalentie bij volwassenen ouder dan 65 jaar wordt geschat op 0,8%. Met het toekennen van deze classificatie aan kinderen en adolescenten moet zeer terughoudend worden omgesprongen, aangezien verlegen en vermijdend gedrag passend kan zijn voor de ontwikkelingsfase.