Sociale-angststoornis Er is een grote mate van overlap tussen de vermijdende-per­soon­lijk­heids­stoor­nis en de sociale-angststoornis. Gesuggereerd wordt dat deze stoornissen verschillende manifestaties van vergelijkbare onderliggende problemen ver­te­gen­woor­di­gen, of dat de vermijdende-per­soon­lijk­heids­stoor­nis een ernstiger vorm is van de sociale-angststoornis. Er zijn echter ook verschillen beschreven, vooral met betrekking tot het zelfbeeld (zoals het gevoel van eigenwaarde en het gevoel van inferioriteit bij de vermijdende-per­soon­lijk­heids­stoor­nis). Dit laatste levert indirect bewijs op, omdat het aantoont dat het negatieve zelfbeeld bij de sociale-angststoornis instabiel kan zijn en dus minder pervasief is en minder verankerd in de persoonlijkheid dan bij de vermijdende-per­soon­lijk­heids­stoor­nis. Bovendien is in onderzoeken aangetoond dat de vermijdende-per­soon­lijk­heids­stoor­nis vaak voorkomt zonder de sociale-angststoornis. Ook zijn er enkele afzonderlijke risicofactoren vastgesteld, wat het vasthouden aan twee afzonderlijke classificaties ondersteunt.

Agorafobie Vermijding is een kenmerk van zowel de vermijdende-per­soon­lijk­heids­stoor­nis als agorafobie, en deze stoornissen komen vaak samen voor. Ze kunnen van elkaar worden onderscheiden door te kijken naar de motivatie voor de vermijding (bijvoorbeeld angst voor paniek of fysiek letsel bij agorafobie).

Andere per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen en per­soon­lijk­heids­trek­ken Andere per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen kunnen worden verward met de vermijdende-per­soon­lijk­heids­stoor­nis doordat ze bepaalde kenmerken met elkaar gemeen hebben. Het is dan ook belangrijk om ze van elkaar te onderscheiden op grond van hun meest karakteristieke kenmerken. Als iemand echter per­soon­lijk­heids­ken­mer­ken heeft die behalve aan de criteria voor de vermijdende-per­soon­lijk­heids­stoor­nis ook voldoen aan de criteria voor een of meer andere per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen, dan kunnen de classificaties voor al deze stoornissen worden toegekend.

Zowel de vermijdende-per­soon­lijk­heids­stoor­nis als de afhankelijke-per­soon­lijk­heids­stoor­nis wordt gekenmerkt door gevoelens van tekortschieten, over­ge­voe­lig­heid voor kritiek en de behoefte aan geruststelling. Bij beide stoornissen kunnen vergelijkbare gedragingen (bijvoorbeeld een gebrek aan assertiviteit) en eigenschappen (bijvoorbeeld een laag zelfbeeld en een laag zelfvertrouwen) worden waargenomen; andere gedragingen kunnen echter duidelijk van elkaar afwijken, zoals het vermijden van sociale nabijheid bij een vermijdende-per­soon­lijk­heids­stoor­nis versus nabijheid zoeken bij de afhankelijke-per­soon­lijk­heids­stoor­nis. De motivaties achter vergelijkbaar gedrag kunnen heel verschillend zijn. Het gebrek aan assertiviteit bij de vermijdende-per­soon­lijk­heids­stoor­nis bijvoorbeeld hangt volgens de literatuur nauw samen met de angst om afgewezen of vernederd te worden, terwijl dit bij de afhankelijke-per­soon­lijk­heids­stoor­nis wordt gemotiveerd door de wens om te voorkomen dat men aan zijn lot wordt overgelaten. Voor deze twee stoornissen geldt echter dat de kans dat ze samen voorkomen erg groot is. De schizoïde- en de schizotypische-per­soon­lijk­heids­stoor­nis worden net als de vermijdende-per­soon­lijk­heids­stoor­nis gekenmerkt door het sociale isolement van de betrokkene. Mensen met een vermijdende-per­soon­lijk­heids­stoor­nis hebben echter wel behoefte aan relaties met anderen en voelen zich intens eenzaam, terwijl mensen met een schizoïde- of schizotypische-per­soon­lijk­heids­stoor­nis tevreden kunnen zijn met hun sociale isolement en er zelfs de voorkeur aan kunnen geven. De paranoïde- en de vermijdende-per­soon­lijk­heids­stoor­nis worden beide gekenmerkt door een onwil om anderen in vertrouwen te nemen. Bij de vermijdende-per­soon­lijk­heids­stoor­nis wordt deze onwil echter meer verklaard door angst om vernederd te worden of niet goed genoeg te worden bevonden dan door angst voor kwade bedoelingen van anderen.

Trekken van de vermijdende persoonlijkheid komen bij veel mensen voor. Alleen als die trekken inflexibel, maladaptief en hardnekkig zijn, en significante beperkingen in het functioneren of lijdensdruk veroorzaken, is er sprake van een vermijdende-per­soon­lijk­heids­stoor­nis.

Per­soon­lijk­heids­ver­an­de­ring door een somatische aandoening De vermijdende-per­soon­lijk­heids­stoor­nis moet worden onderscheiden van een per­soon­lijk­heids­ver­an­de­ring door een somatische aandoening, waarbij de trekken die iemand ontwikkelt een direct fysiologisch gevolg zijn van een somatische aandoening.

Stoornissen in het gebruik van een middel De vermijdende-per­soon­lijk­heids­stoor­nis moet ook worden onderscheiden van symptomen die zich kunnen ontwikkelen in samenhang met persisterend middelengebruik.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.