Een clinicus die iemand onderzoekt op de aanwezigheid van de dwangmatige-persoonlijkheidsstoornis moet gedrag dat voortkomt uit gewoonten, tradities of interpersoonlijke stijlen die horen bij de culturele achtergrond van de betrokkene, niet meewegen als een uiting van de stoornis. In sommige culturele gemeenschappen wordt veel belang gehecht aan werken en productiviteit. En sommige leden van bepaalde sociaal-culturele groepen (bijvoorbeeld religieuze gemeenschappen, beroepsgroepen, migrantengemeenschappen) kunnen soms rigide gedragscodes, werkvoorschriften, beperkende sociale omgevingen, gedragsregels of normen omarmen waarin de nadruk wordt gelegd op overmatige nauwgezetheid, strikte morele regels en streven naar perfectionisme, en die door de normen van de culturele groep kunnen worden bekrachtigd. Dergelijk gedrag op zichzelf moet niet als een indicatie voor de dwangmatige-persoonlijkheidsstoornis worden beschouwd.