Het hoofdkenmerk van de dwangmatige-persoonlijkheidsstoornis is een pervasief patroon van preoccupatie met ordelijkheid, perfectie en psychische en interpersoonlijke controle, dat ten koste gaat van flexibiliteit, openheid en efficiëntie. Dit patroon begint op jongvolwassen leeftijd en is in allerlei verschillende situaties aanwezig.
Mensen met een dwangmatige-persoonlijkheidsstoornis proberen een gevoel van controle te houden door zo minutieus mogelijk aandacht te schenken aan regels, onbetekenende details, procedures, lijstjes, schema’s of vorm, waardoor ze het eigenlijke doel van de activiteit uit het oog verliezen (criterium 1). Ze zijn overmatig nauwkeurig en geneigd tot herhalen, waarbij ze buitengewoon veel aandacht schenken aan details en herhaaldelijk controleren op eventuele fouten, met als gevolg dat ze al doende vaak de tijd vergeten. Een voorbeeld: als iemand met deze stoornis een takenlijstje kwijt is, besteedt hij of zij buitenproportioneel veel tijd aan het terugvinden daarvan, in plaats van te proberen het lijstje uit het hoofd opnieuw te maken en vervolgens verder te gaan met het afronden van de taken. Mensen met een dwangmatige-persoonlijkheidsstoornis zien niet in dat andere mensen geïrriteerd kunnen raken door de vertragingen en ongemakken die het gevolg zijn van dit gedrag, omdat ze prioriteit geven aan hun angst om een fout te maken, of aan de manier waarop dingen volgens hen moeten worden gedaan. Deze mensen gaan onhandig met hun tijd om, en hun belangrijkste taken blijven liggen tot het laatste moment. Het perfectionisme en de aan zichzelf opgelegde hoge eisen voor de eigen prestaties veroorzaken bij deze mensen een significante mate van disfunctioneren en lijdensdruk. Elk detail van een opdracht zonder meer perfect uitvoeren kan hen zozeer in beslag nemen dat de opdracht nooit afkomt (criterium 2). Zo wordt de afronding van een schriftelijk rapport uitgesteld door heel veel tijd te besteden aan steeds weer nieuwe versies: allemaal niet ‘perfect’ genoeg. Deadlines worden standaard gemist, of de betrokkene is gewend om buitengewone inspanningen te leveren (bijvoorbeeld ’s nachts doorwerken, maaltijden overslaan) om de deadline op het laatste moment te halen. Onderwerpen waarnaar op dat moment niet alle aandacht uitgaat, kunnen worden verwaarloosd.
Mensen met een dwangmatige-persoonlijkheidsstoornis zijn zo buitensporig toegewijd aan hun werk en productiviteit dat ze ontspannende activiteiten en vriendschappen uitsluiten of devalueren (criterium 3). Dit gebeurt niet vanuit een economische noodzaak. Deze mensen hebben vaak het gevoel dat ze geen tijd hebben voor een vrije avond of weekend om een uitstapje te maken of gewoon te ontspannen. Een plezierige activiteit, zoals een vakantie, kunnen ze keer op keer uitstellen, zodat het er nooit van komt. Als ze, met tegenzin, toch tijd uittrekken voor vrijetijdsactiviteiten of vakanties, voelen ze zich bijzonder ongemakkelijk, tenzij ze werk hebben meegenomen, zodat ze geen ‘tijd verspillen’. Iemand met deze stoornis kan ook buitengewoon geconcentreerd bezig zijn met huishoudelijke taken (bijvoorbeeld steeds weer overdreven grondig schoonmaken zodat je ‘van de vloer kunt eten’). Als deze mensen tijd met vrienden doorbrengen, is dat waarschijnlijk in een formeel georganiseerde activiteit (zoals sport). Hobby’s of vrijetijdsactiviteiten worden ondernomen volgens strenge regels, als serieuze taken die nauwgezet moeten worden gepland en waarvoor hard moet worden gewerkt om ze onder de knie te krijgen. De nadruk ligt op een perfecte uitvoering. Ook van spelen maken deze mensen een gestructureerde ‘werkachtige’ taak (bijvoorbeeld door een dreumes te corrigeren die de ringen niet in de juiste volgorde om de paaltjes legt, een peuter op te dragen om in een rechte lijn te rijden met zijn driewieler, of van een potje voetbal een serieuze ‘les’ te maken).
Mensen met een dwangmatige-persoonlijkheidsstoornis kunnen buitensporig consciëntieus, scrupuleus en star zijn in zaken van moraliteit, ethiek of waarden (criterium 4). Ze kunnen zichzelf en anderen dwingen zich te houden aan starre morele principes en zeer strikte eisen bij de uitvoering van een taak. Ook op hun eigen fouten kunnen ze met genadeloze zelfkritiek reageren, of de morele of ethische misstappen van anderen scherp veroordelen. Mensen met deze stoornis nemen een starre volgzame houding aan tegenover autoriteiten en regels, en dringen aan op het letterlijk gehoorzamen van regels, zonder ruimte te kunnen maken om de regels aan te passen aan de omstandigheden. Een voorbeeld: iemand is niet bereid wat kleingeld te lenen aan een vriend voor een buskaartje, indachtig het standpunt ‘van lenen komt wenen’, of omdat hij of zij deze vriend geen ‘slecht gedrag’ wil aanleren. Deze eigenschappen worden niet verklaard door de culturele of religieuze achtergrond van de betrokkene.
Er zijn mensen met deze stoornis die niet in staat zijn om versleten of waardeloze spullen weg te doen, ook als die spullen geen gevoelswaarde hebben (criterium 5). Die mensen geven vaak wel toe dat ze ‘verzamelaars’ zijn. Spullen weggooien vinden ze zonde, ‘want je weet maar nooit of je het weer een keer nodig zult hebben’. De rommel in huis kan ook bestaan uit gedeeltelijk gelezen studiematerialen of het gevolg zijn van een opeenstapeling van onvoltooide projecten die de betrokkene ooit nog wil afmaken, maar die door uitstelgedrag en/of een nauwgezette maar langzame werkstijl zijn blijven liggen. Deze mensen raken van streek als iemand probeert dingen op te ruimen die zij hebben verzameld. Hun partner of een huisgenoot kan klagen over de hoeveelheid ruimte in huis die in beslag wordt genomen door oude onderdelen, stapels leesmateriaal, kapotte apparaten enzovoort.
Mensen met een dwangmatige-persoonlijkheidsstoornis zijn onwillig om taken aan anderen te delegeren of met anderen samen te werken (criterium 6). Ze dringen er koppig en onredelijk op aan dat alles op hun manier gebeurt en dat andere mensen meegaan in hun manier van zaken aanpakken. Ze geven vaak zeer gedetailleerde instructies over hoe dingen moeten gebeuren (bijvoorbeeld: er is maar één juiste manier om het gras te maaien, met de hand af te wassen of de vaatwasser te laden, of een konijnenhok te timmeren), en gaan zelfs zo ver dat ze anderen gaan micromanagen. Ze zijn dan verbaasd of geïrriteerd als anderen creatieve alternatieven aandragen. Verder kan deze houding zich uiten in de weigering om een hulpaanbod te aanvaarden, zelfs als ze achterlopen op hun schema, omdat ze ervan overtuigd zijn dat niemand anders het goed kan doen.
Mensen met deze stoornis kunnen overdreven zuinig en gierig zijn (moeite hebben met het uitgeven van geld aan zowel zichzelf als anderen); soms houden ze er een levensstandaard op na die ver onder het niveau ligt van wat ze zich zouden kunnen veroorloven, want ze zijn ervan overtuigd dat ze hun uitgaven streng moeten beperken om te kunnen sparen voor toekomstige rampen (criterium 7). De dwangmatige-persoonlijkheidsstoornis wordt gekenmerkt door starheid en koppigheid (criterium 8). Mensen met deze stoornis maken zich er zo druk over om dingen op de enige ‘juiste’ manier te doen dat het hun moeite kost om mee te gaan in de ideeën van anderen. Deze mensen plannen alles tot in de kleinste details en zijn niet bereid veranderingen in hun plannen of hun gebruikelijke routines te overwegen. Ze zijn zo verkokerd in hun eigen manier van tegen dingen aankijken dat ze moeite hebben met het erkennen van de zienswijze van anderen. Voor hun vrienden en collega’s kan die niet-aflatende starheid frustrerend zijn. En zelfs als mensen met een dwangmatige-persoonlijkheidsstoornis wel erkennen dat het in hun eigen belang kan zijn om een compromis te sluiten, kunnen ze nog koppig volharden in hun weigering om dit te doen, met als argument dat het ‘om het principe gaat’.