Bij het onderzoeken van een seksuele-interesse-/op­win­dings­stoor­nis bij de vrouw moet rekening worden gehouden met de in­ter­per­soon­lij­ke context. Een ‘discrepantie in verlangen’ waarbij de vrouw minder verlangt naar seksuele activiteit dan haar partner, volstaat niet voor de classificatie seksuele-interesse-/op­win­dings­stoor­nis bij de vrouw. Aan de criteria voor de stoornis wordt pas voldaan als voor minstens drie van de zes indicatoren geldt dat ze afwezig, minder frequent of minder intens zijn (criterium A), en wel gedurende minimaal ongeveer zes maanden (criterium B). Verschillende vrouwen kunnen verschillende klach­ten­pro­fie­len hebben, zoals er ook verschillen kunnen zijn in de manier waarop seksuele interesse en opwinding worden geuit. Bij de ene vrouw kan de seksuele-interesse-/op­win­dings­stoor­nis bijvoorbeeld tot uiting komen als een gebrek aan belangstelling voor seksuele activiteit, de afwezigheid van erotische of seksuele gedachten, en tegenzin om het initiatief tot seksuele activiteit te nemen en in te gaan op seksuele initiatieven van de partner. Bij een andere vrouw kunnen de voornaamste kenmerken bestaan uit het onvermogen om seksueel opgewonden te raken, op seksuele stimuli te reageren met seksueel verlangen, en een bijbehorend uitblijven van tekenen van lichamelijke seksuele opwinding. Aangezien vrouwen met een gebrek aan seksueel verlangen negen keer meer kans hebben om ook een gebrek te hebben aan seksuele opwinding, kunnen problemen met het verlangen en de seksuele opwinding ook tegelijkertijd optreden. Kortdurende veranderingen in de seksuele interesse of opwinding komen algemeen voor en kunnen een goed aangepaste respons zijn op gebeurtenissen in het leven van een vrouw, en wijzen dan ook niet op een seksuele disfunctie. De classificatie seksuele-interesse-/op­win­dings­stoor­nis bij de vrouw vereist een minimale duur van de klachten van ongeveer zes maanden, wat betekent dat de klachten een aanhoudend probleem moeten zijn. Als niet precies kan worden vastgesteld hoelang de klachten bestaan, is het aan de clinicus om in te schatten of de klacht persisterend is.

De belangstelling voor seksuele activiteit kan ofwel geheel afwezig zijn, of de frequentie of intensiteit van de interesse kan verminderd zijn (criterium A1). Dit laatste was voorheen het enige criterium voor de seksuele stoornis met verminderd verlangen; deze aandoening is nu opgegaan in de seksuele-interesse-/op­win­dings­stoor­nis bij de vrouw. Seksuele en erotische gedachten of fantasieën kunnen geheel afwezig zijn, of de frequentie of intensiteit hiervan kan verminderd zijn (criterium A2). Er zijn grote verschillen tussen vrouwen in de manier waarop fantasieën worden geuit; herinneringen aan seksuele ervaringen uit het verleden kunnen hiervan deel uitmaken. Bij de beoordeling van dit criterium moet rekening worden gehouden met de normale vermindering van de hoeveelheid seksuele gedachten met het vorderen van de leeftijd. Het ontbreken of een verminderde frequentie van het nemen van initiatief tot seksuele activiteit en van de ont­van­ke­lijk­heid voor initiatieven van de partner (criterium A3) is een gedragsgericht criterium. De ideeën en voorkeuren van het paar als het gaat om patronen van seksueel initiatief zijn zeer relevant als dit criterium wordt onderzocht. Seksuele opwinding of genot is afwezig of sterk verminderd tijdens alle of bijna alle gevallen (ongeveer 75–100%) van seksuele activiteit (criterium A4). Het ontbreken van seksueel genot is bij vrouwen met een gering verlangen een veelvoorkomende klinische klacht. Bij vrouwen die een gering seksueel verlangen bij zichzelf beschrijven, zijn er minder seksuele of erotische prikkels die seksuele interesse of opwinding veroorzaken (er is een gebrek aan ‘reactief verlangen’). Er zijn aanwijzingen dat er minstens twee typen van de seksuele-interesse-/op­win­dings­stoor­nis bij de vrouw bestaan: het eerste type is gebaseerd op een lage sensitiviteit voor seksuele signalen, het tweede op een overactivering van de seksuele inhibitie. Om te kunnen bepalen of er sprake is van een tekort aan reactief seksueel verlangen, helpt het om vast te stellen of de seksuele stimuli op zichzelf adequaat zijn (criterium A5). De frequentie of intensiteit van genitale of niet-genitale sensaties tijdens seksuele activiteit kan verminderd of geheel afwezig zijn (criterium A6). Afgenomen vaginale lubricatie of vasocongestie kan hier deel van uitmaken. Maar fysiologische metingen van de seksuele respons tonen geen onderscheid tussen vrouwen die problemen met seksuele opwinding rapporteren versus vrouwen die dergelijke moeilijkheden niet rapporteren. Daarom volstaat zelfrapportage over verminderde of afwezige genitale of niet-genitale sensaties.

Voor de classificatie seksuele-interesse-/op­win­dings­stoor­nis bij de vrouw moeten de klachten in criterium A klinisch significante lijdensdruk veroorzaken. Dit lijden kan het gevolg zijn van het gebrek aan seksueel verlangen of seksuele opwinding op zichzelf, of van het feit dat de klachten het leven en welzijn van de betrokken vrouw aanmerkelijk verstoren. Als een levenslang ontbreken van seksueel verlangen beter wordt verklaard door het feit dat iemand zichzelf ‘aseksueel’ noemt, is de classificatie seksuele-interesse-/op­win­dings­stoor­nis bij de vrouw niet van toepassing.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.