Niet-seksuele psychische stoornissen Niet-seksuele psychische stoornissen kunnen het gebrek aan seksuele interesse of opwinding verklaren; een voorbeeld hiervan is de depressieve stoornis, met haar ‘duidelijk verminderd(e) interesse of plezier in alle of bijna alle activiteiten, gedurende het grootste deel van de dag, bijna elke dag’. Als het gebrek aan interesse of opwinding volledig kan worden toegeschreven aan een andere psychische stoornis, wordt de classificatie seksuele-interesse-/opwindingsstoornis bij de vrouw niet toegekend.
Gebruik van een middel/medicatie Als het ontstaan van de moeilijkheden met het verlangen of de opwinding samenvalt met het begin van het gebruik van een middel/medicatie, en het probleem verdwijnt zodra het gebruik is gestopt of de dosering is verlaagd, moet in plaats van de seksuele-interesse-/opwindingsstoornis bij de vrouw de classificatie seksuele disfunctie door een middel/medicatie worden toegekend.
Somatische aandoeningen Als de seksuele symptomen worden beschouwd als bijna uitsluitend het gevolg van de effecten van een somatische aandoening (zoals diabetes mellitus, een endotheelaandoening, schildklierdisfunctie, een ziekte van het centrale zenuwstelsel) wordt de classificatie seksuele-interesse-/opwindingsstoornis bij de vrouw niet toegekend.
Andere seksuele disfuncties De aanwezigheid van een andere seksuele disfunctie sluit een classificatie seksuele-interesse-/opwindingsstoornis bij de vrouw niet uit. Het ervaren van meer dan één seksuele disfunctie komt bij vrouwen algemeen voor. Zo kan chronische genitale pijn bijvoorbeeld leiden tot het niet verlangen naar de (pijnlijke) seksuele activiteit. Gebrek aan interesse en opwinding tijdens seksuele activiteit kunnen leiden tot een verminderd vermogen om een orgasme te ervaren. Voor sommige vrouwen geldt dat alle aspecten van de seksuele respons onbevredigend en onaangenaam zijn.
Inadequate of afwezige seksuele stimuli Wanneer differentiële diagnoses worden overwogen, is het van belang om te bekijken of de seksuele stimuli binnen de seksuele ervaring van de vrouw adequaat zijn. Wanneer inadequate of afwezige seksuele stimuli bijdragen aan het klinische beeld, kan er nog steeds een hulpvraag zijn, maar zou een classificatie seksuele disfunctie niet op zijn plaats zijn. Op dezelfde manier moet bij de differentiële diagnostiek rekening worden gehouden met voorbijgaande en adaptieve veranderingen in het seksuele functioneren die secundair aan een ingrijpende levensgebeurtenis of persoonlijke verandering optreden.