Beoordeling van het DSM-5-persoonlijkheidstrekkenmodel
De klinische bruikbaarheid van het multidimensionale persoonlijkheidstrekkenmodel in deel III ligt erin dat het de aandacht vestigt op meerdere relevante terreinen waarin de persoonlijkheid van elke individuele patiënt verschilt van die van anderen. In plaats van de aandacht te vestigen op het vaststellen van slechts één, het passendste, classificatielabel, richt de klinische toepassing van het persoonlijkheidstrekkenmodel zich op de beoordeling van alle vijf de brede persoonlijkheidsdomeinen zoals die zijn omschreven in tabel 3. De klinische diagnostiek van de persoonlijkheid komt overeen met de alom geldende principes binnen de klinische geneeskunde. Bijvoorbeeld: de klacht die een betrokkene presenteert kan wijzen op een specifieke neurologische aandoening, maar gedurende het eerste onderzoek zal de clinicus zich ook systematisch richten op het functioneren van alle andere orgaansystemen (bijvoorbeeld cardiovasculair, gastro-intestinaal), zodat een belangrijk terrein van verminderd functioneren en de mogelijkheden voor bijpassende effectieve behandeling niet worden gemist.
Het klinische gebruik van het persoonlijkheidstrekkenmodel verloopt op dezelfde manier. Een eerste inventarisatie beslaat alle vijf de brede persoonlijkheidsdomeinen. Dit systematische onderzoek kan worden ondersteund door formele psychometrische instrumenten die ontworpen zijn om de domeinen en facetten van de persoonlijkheid in kaart te brengen. Bijvoorbeeld: het persoonlijkheidstrekkenmodel
is geoperationaliseerd in de Personality Inventory for DSM-5 (PID-5), een vragenlijst die de patiënt zelf kan invullen, en een informant-invulvragenlijst voor iemand die de patiënt goed kent (bijvoorbeeld de partner). Een gedetailleerd klinisch beeld kan worden verkregen door het inventariseren van alle 25 facetten van het persoonlijkheidstrekkenmodel bij zowel de patiënt als de informant. Als dit echter niet mogelijk is, door de beschikbare tijd of andere beperkingen, dan is een onderzoek naar enkel de vijf domeinniveaus een acceptabele optie wanneer alleen een globaal (niet gedetailleerd) beeld van de persoonlijkheid van de patiënt nodig is (zie criterium B van de trekgespecificeerde persoonlijkheidsstoornis). Indien echter persoonlijkheidsproblemen de focus van een behandeling vormen, dan is het van belang om naast de domeinen ook de facetten in kaart te brengen.
Omdat persoonlijkheidstrekken normaal verdeeld zijn onder de bevolking, is het mogelijk om te beoordelen of een specifieke trek verhoogd is (en daarmee beschikbaar voor diagnostische doeleinden) door de individuele uitslag te vergelijken met de populatienorm en/of middels een klinisch oordeel. Indien een trek is verhoogd — dat wil zeggen dat formeel psychometrisch testonderzoek en/of data uit een psychiatrisch onderzoek het klinisch oordeel van die verhoging onderbouwen — dan draagt dat bij aan het voldoen aan criterium B voor persoonlijkheidsstoornissen volgens het multidimensionale model.