Dissociatieve amnesie is waargenomen bij jonge kinderen, adolescenten, volwassenen en ouderen. Amnesie bij kinderen jonger dan 12 jaar is misschien wel het moeilijkst te beoordelen, omdat ze vaak moeite hebben om vragen over amnesie te begrijpen, en de onderzoekers kunnen moeite hebben om voor een kind begrijpelijke vragen te stellen over het geheugen en amnesie, vooral bij jongere kinderen. Verschijnselen die op dissociatieve amnesie lijken, zijn vaak moeilijk te onderscheiden van onoplettendheid, sterke ge­pre­oc­cu­peerd­heid, dagdromen, angst, oppositioneel gedrag en leerstoornissen. Om de amnesie bij kinderen te kunnen vaststellen, kan het nodig zijn om bij verschillende bronnen informatie in te winnen (bijvoorbeeld bij de leraar, de therapeut, de maatschappelijk werker). Sommige ge­trau­ma­ti­seer­de adolescenten met dissociatieve amnesie krijgen minder snel klinische aandacht omdat zij in mindere mate voldoen aan de criteria voor een post­trau­ma­ti­sche-stressstoornis (PTSS), en minder intrusieve symptomen en externaliserend gedrag vertonen. Dissociatieve fugue kan zich bij kinderen en adolescenten beperken tot de leefruimte van het kind (bijvoorbeeld een jongen die in een fugue ‘bijkomt’ nadat hij naar een onbekende buurt is gefietst, een tienermeisje dat merkt dat zij in de bus naar een nabijgelegen stad moet zijn gestapt).

Ge­ge­ne­ra­li­seer­de amnesie begint plotseling. Mensen die hierdoor worden getroffen ervaren soms meervoudige episoden van dit type dissociatieve amnesie. Een enkelvoudige episode kan predisponeren voor toekomstige episoden. Tussen de amnestische episoden in kan de betrokkene al dan niet acuut symptomatisch zijn.

Sommige episoden van dissociatieve amnesie verdwijnen snel (bijvoorbeeld wanneer iemand snel uit een gewapend conflict of een andere stressvolle situatie wordt gehaald en/of klinische aandacht krijgt). Een aanzienlijke subgroep ontwikkelt zeer ontregelende, invaliderende, chronische au­to­bi­o­gra­fi­sche ge­heu­gen­de­fi­ci­ën­ties, zodanig dat zelfs het ‘opnieuw leren’ van de le­vens­ge­schie­de­nis het geheugenverlies niet verbetert.

Als de betrokkene wordt weggehaald uit de psy­cho­trau­ma­ti­sche omstandigheden die ten grondslag liggen aan de dissociatieve amnesie (zoals gewapende strijd), herstelt het geheugen zich soms snel. Maar vooral bij mensen met een dissociatieve fugue kan het geheugenverlies hardnekkig zijn. Wanneer later in het leven traumatiserende gebeurtenissen, le­vens­stres­so­ren of verliezen optreden, kan dit leiden tot een doorbraak van langdurig aanwezige au­to­bi­o­gra­fi­sche ge­heu­gen­de­fi­ci­ën­ties met betrekking tot psychotrauma in de kindertijd of het volwassen leven, waarbij acute PTSS, stem­mings­stoor­nis­sen, mid­de­len­mis­bruik en een gevaar voor zichzelf of anderen kunnen ontstaan.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.