Dissociatieve iden­ti­teits­stoor­nis Recidiverende episoden van dissociatieve amnesie zijn mogelijk toe te schrijven aan DIS. Mensen met dissociatieve amnesie kunnen, evenals mensen met DIS, de­per­so­na­li­sa­tie en autohypnotische symptomen melden. Mensen met DIS melden uitgebreide discontinuïteit in hun zelfbeleving en gevoel van zelfcontrole, gepaard gaand met veel andere dissociatieve symptomen. De vormen van amnesie bij DIS omvatten naast retrospectieve au­to­bi­o­gra­fi­sche ge­heu­gen­de­fi­ci­ën­ties: aanhoudende amnesie (‘tijd kwijt zijn’) voor alledaagse gebeurtenissen en intermenselijke interacties; onverklaarbare eigendommen tegenkomen; sterk fluctueren van vaardigheden en kennis die mensen voor een raadsel doen staan; en frequente, korte amnestische hiaten tijdens intermenselijke interacties.

Post­trau­ma­ti­sche-stressstoornis Sommige mensen met PTSS kunnen zich een deel van of de hele traumatische gebeurtenis niet herinneren (zoals een ver­krach­tings­slacht­of­fer dat geen herinneringen heeft aan de meeste gebeurtenissen van de dag waarop de verkrachting plaatsvond). Als de amnesie ook andere gebeurtenissen dan alleen de directe periode van het psychotrauma betreft, is een comorbide classificatie dissociatieve amnesie mogelijk op haar plaats. Mensen met het dissociatieve subtype van PTSS kunnen naast de­per­so­na­li­sa­tie/derealisatie ook dissociatieve amnesie rapporteren.

Neurocognitieve stoornissen Bij een uitgebreide neurocognitieve stoornis zijn er doorgaans aanwijzingen voor centrale neurologische schade, samengaand met een afname van het cognitieve functioneren met deficiënties in de aandacht, de executieve functies, het leren, het geheugen, de taal en de perceptueel-motorische en sociaal-cognitieve functies, die het onafhankelijk uitvoeren van alledaagse activiteiten beperken. Bij uitgebreide neurocognitieve stoornissen is het geheugenverlies voor persoonlijke informatie meestal onderdeel van cognitieve, linguïstische, affectieve, aandachts- en ge­drags­stoor­nis­sen. Over het algemeen blijft het zich gewaar zijn van de persoonlijke identiteit tot laat in het beloop van de neurocognitieve stoornis intact. Bij neurocognitieve stoornissen gaat retrograde amnesie vrijwel altijd gepaard met anterograde amnesie. Anterograde dissociatieve amnesie kan voor een delier worden aangezien. Het lichamelijk onderzoek en de toxicologische, neurologische en la­bo­ra­to­ri­um­on­der­zoe­ken zijn echter normaal, evenals de beeldvormende onderzoeken. Zorgvuldige en herhaaldelijke onderzoeken wijzen dan na verloop van tijd uit dat er geen sprake is van werkelijke neurocognitieve deficiënties, net als bij andere vormen van dissociatieve amnesie.

Mid­del­ge­re­la­teer­de stoornissen Als er sprake is van herhaalde intoxicatie door alcohol of andere middelen of medicatie, kunnen zich episoden voordoen van blackouts of perioden waaraan de betrokkene geen herinneringen of gedeeltelijke herinneringen (‘gray-outs’) heeft. Om deze episoden te kunnen onderscheiden van dissociatieve amnesie, kan een anamnese worden opgenomen over een lange periode. Hieruit zou moeten blijken dat de amnestische episoden zich alleen voordoen in de context van intoxicatie. Het onderscheid kan echter bemoeilijkt worden als er bij iemand met dissociatieve amnesie ook sprake is van misbruik van alcohol of andere middelen, vooral in de context van stressvolle situaties, die ook de dissociatieve symptomen kunnen versterken. De complexiteit van de differentiële diagnostiek neemt mogelijk nog toe wanneer het middelengebruik in de kindertijd of de adolescentie begint, meestal in de context van intrafamiliale mishandeling, verwaarlozing en mid­del­ge­re­la­teer­de stoornissen. Door deze personen na detoxificatie herhaaldelijk te observeren en een zorgvuldige anamnese op te nemen, kan meestal een onderscheid worden gemaakt tussen geheugenverlies als gevolg van langdurig middelengebruik en dissociatieve amnesie. Sommige mensen bij wie dissociatieve amnesie samengaat met stoornissen in middelengebruik, proberen hun dissociatieve amnesie te bagatelliseren en schrijven hun ge­heu­gen­pro­ble­men uitsluitend toe aan het middelengebruik. Langdurig gebruik van alcohol of andere middelen kan resulteren in een neurocognitieve stoornis door een middel/medicatie, die kan samenhangen met beperkte cognitieve functies. Echter, in deze context kunnen het langdurige middelengebruik en de aanhoudende deficiënties die samenhangen met de neurocognitieve stoornis gebruikt worden om het onderscheid te maken met dissociatieve amnesie, waarbij er meestal geen aanwijzingen zijn voor aanhoudende beperkingen in het intellectuele functioneren.

Post­trau­ma­ti­sche amnesie door hersenletsel Amnesie kan zich voordoen in de context van traumatisch hersenletsel waarbij het hoofd een klap heeft gehad of er sprake is van andere snelle bewegingen of verschuivingen van de hersenen in de schedel. Andere kenmerken van traumatisch hersenletsel zijn onder andere bewusteloosheid, desoriëntatie en verwardheid, of, in ernstigere gevallen, neurologische klachten en verschijnselen (zoals afwijkingen bij beeldvormend onderzoek van de hersenen, voor het eerst optredende convulsies of een duidelijke verslechtering van een al bestaande con­vul­sie­stoor­nis, ge­zichts­veld­uit­val, anosmie). Een neurocognitieve stoornis die aan traumatisch hersenletsel kan worden toegeschreven, moet zich onmiddellijk na het hersenletsel voordoen, of direct nadat de betrokkene na het letsel bij bewustzijn is gekomen, en moet aanhouden tot na de acute post­let­sel­pe­ri­o­de. Het cognitieve beeld van een neurocognitieve stoornis na traumatisch hersenletsel varieert en betreft onder andere moeilijkheden met in­for­ma­tie­ver­wer­king, executieve functies, en leren en geheugen, alsmede een vertraagde in­for­ma­tie­ver­wer­king en stoornissen in het sociaal-cognitief functioneren. De patronen van ge­heu­gen­de­fi­ci­ën­ties zijn kenmerkend voor neurocognitieve stoornissen. Aan het klinische beeld van acute dissociatieve amnesie kan een licht hersenletsel vooraf zijn gegaan, maar de dissociatieve ge­heu­gen­de­fi­ci­ën­ties zijn niet in verhouding met het hoofdletsel en volgen in de regel de dissociatieve patronen en niet de neurocognitieve.

Con­vul­sie­stoor­nis­sen Mensen met con­vul­sie­stoor­nis­sen kunnen complex gedrag vertonen gedurende de convulsies of postictaal, met erop volgende amnesie. Sommige mensen met een con­vul­sie­stoor­nis vertonen doelloos zwerfgedrag dat zich beperkt tot de periode van con­vul­sie­ac­ti­vi­teit. Het gedrag gedurende een dissociatieve fugue is daarentegen meestal doelgericht en complex, en kan dagen, weken of langer aanhouden. Soms melden mensen met een con­vul­sie­stoor­nis dat sommige au­to­bi­o­gra­fi­sche herinneringen ‘uitgewist’ zijn toen de convulsie zich verder ontwikkelde. Een dergelijk geheugenverlies hangt niet samen met psychotrauma of negatieve gebeurtenissen en lijkt zich toevallig voor te doen. Opeenvolgende elektro-encefalogrammen vertonen bij epileptische aandoeningen meestal afwijkingen. Telemetrische elektro-en­ce­fa­lo­gra­fi­sche monitoring laat meestal een samenhang zien tussen de episoden van de amnesie en epileptische activiteit. Vormen van dissociatieve en epileptische amnesie kunnen zich naast elkaar voordoen.

Ge­heu­gen­de­fi­ci­ën­ties die gepaard gaan met elek­tro­con­vul­sie­the­ra­pie Ge­heu­gen­de­fi­ci­ën­ties na elek­tro­con­vul­sie­the­ra­pie (ect) treden meestal op de dag van de ect op. Uitgebreide retrograde en zelfs anterograde amnesie na ect houdt doorgaans geen verband met stressvolle of psy­cho­trau­ma­ti­sche levensperioden en neemt doorgaans af na afloop van de ect-kuur. Bij mensen met ernstige depressiviteit bij een dissociatieve stoornis zorgt ect niet voor een verergering van de dissociatie; mogelijk kan het geheugen verbeteren als de depressiviteit afneemt.

Katatone stupor Mutisme bij een katatone stupor kan lijken op dissociatieve amnesie, maar herinneringen ophalen uit het geheugen lukt doorgaans wel. Andere katatone symptomen (zoals stijfheid, een onnatuurlijke houding aannemen, motorisch negativisme) zijn meestal aanwezig. Katatone symptomen kunnen bij kinderen samenhangen met psychotrauma, mishandeling en/of verwaarlozing. Anders dan bij dissociatieve amnesie is het geheugenverlies bij katatonie alleen tijdens de katatone episode aanwezig.

Acute dissociatieve reacties op stressvolle gebeurtenissen (andere gespecificeerde dissociatieve stoornis) Acute dissociatieve reacties op stressvolle gebeurtenissen, als voorbeeld genoemd bij de classificatie andere gespecificeerde dissociatieve stoornis, kenmerken zich door een combinatie van dissociatieve symptomen die acuut en gelijktijdig in reactie op stressvolle gebeurtenissen optreden en doorgaans niet langer dan een maand aanhouden. Amnestische episoden die bij deze reacties optreden, gaan gepaard met andere prominente dissociatieve symptomen, zijn van korte duur (uren of dagen) en zijn gebonden aan beperkte perioden of gebeurtenissen in iemands leven (microamnesieën).

Nagebootste stoornis en simulatie Er bestaat geen test, testbatterij of verzameling procedures aan de hand waarvan dissociatieve amnesie altijd van gesimuleerde amnesie kan worden onderscheiden. Gesimuleerde amnesie komt meer voor bij mensen met (1) een acute, floride dissociatieve amnesie; (2) financiële, seksuele of juridische problemen; (3) een wens om aan stressvolle omstandigheden te ontsnappen; (4) een wens om een interessantere patiënt te zijn; en/of (5) een plan om een rechtszaak aan te spannen wegens ‘hervonden herinneringen’. Dissociatieve amnesie kan echter met diezelfde omstandigheden samenhangen en naast opzettelijk simuleren bestaan. Veel mensen die amnesie simuleren, geven dit uit zichzelf toe, of als ze erop worden aangesproken.

Ge­heu­gen­ver­an­de­rin­gen bij het ouder worden of beperkte neurocognitieve stoornissen De afname van het geheugen bij een beperkte neurocognitieve stoornis verschilt van die bij dissociatieve amnesie: bij een beperkte neurocognitieve stoornis manifesteren de ge­heu­gen­ver­an­de­rin­gen zich als moeite met het leren en onthouden van nieuwe informatie. Dit wordt meestal gemeten in tests waarin het verbale leren wordt onderzocht middels een woordenlijst of kort verhaal, waarbij de directe of uitgestelde reproductie wordt beoordeeld. Bij normale cognitieve veroudering kunnen mensen soortgelijke beperkingen hebben bij de directe of uitgestelde reproductie van nieuwe informatie, maar normale veroudering kan behalve het geheugen ook de snelheid van de in­for­ma­tie­ver­wer­king en andere complexe executieve functies beïnvloeden.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.