Het voornaamste kenmerk van de depressieve-stemmingsstoornis door een somatische aandoening is een opvallende en aanhoudende periode met een verlaagde stemming, of een duidelijk verminderd(e) interesse of plezier in alle of bijna alle activiteiten, die in het klinische beeld op de voorgrond staat (criterium A) en waarvan aangenomen wordt dat die het gevolg is van de fysiologische effecten van een somatische aandoening (criterium B). Om te kunnen vaststellen of de stemmingssymptomen worden veroorzaakt door een somatische aandoening, dient de clinicus eerst te bevestigen dat er sprake is van een somatische aandoening. Bovendien moet de clinicus vaststellen dat de stemmingssymptomen door een fysiologisch mechanisme etiologisch samenhangen met de somatische aandoening. Om tot dit klinische oordeel te komen, is een zorgvuldige en volledige beoordeling van meerdere factoren noodzakelijk. Voor de afweging of het verband tussen de stemmingssymptomen en de somatische aandoening etiologisch is bestaan geen onfeilbare richtlijnen, maar er zijn wel enkele nuttige overwegingen. Een daarvan is de vraag of er sprake is van een temporeel verband tussen het begin, de verergering of de remissie van de somatische aandoening en van de stemmingssymptomen. Een tweede punt van overweging is de vraag of er kenmerken zijn die atypisch zijn voor de onafhankelijke stemmingsstoornissen (zoals een atypisch(e) beginleeftijd of beloop of het ontbreken van de stoornis in de familieanamnese). Aanwijzingen uit de literatuur die erop wijzen dat een direct verband mogelijk is tussen de betreffende somatische aandoening en het ontstaan van stemmingssymptomen, kunnen voor de beoordeling van bepaalde situaties een nuttig kader bieden.