Normale variaties in de spraak Regionale, sociaal-culturele of etnische variaties in de spraak moeten overwogen worden voordat de classificatie wordt toegekend. Tweetalige kinderen laten over het algemeen een lagere score voor de verstaanbaarheid zien, maken over het geheel genomen meer medeklinker- en klinkerfouten, en produceren meer ongewone foutpatronen dan eentalige (Engels) sprekende kinderen wanneer zij alleen in hun moedertaal beoordeeld worden.
Gehoor- of andere zintuiglijke problemen Doofheid of slechthorendheid kan tekortkomingen in de productie van spraakklanken veroorzaken. Als de spraakproblemen ernstiger zijn dan gewoonlijk bij dergelijke beperkingen gezien wordt, kan de classificatie spraakklankstoornis toegekend worden.
Anatomische beperkingen Spraakproblemen kunnen het gevolg zijn van anatomische beperkingen (bijvoorbeeld een gespleten verhemelte).
Dysartrie Spraakproblemen kunnen worden toegeschreven aan een motorische aandoening, bijvoorbeeld cerebrale parese. Neurologische symptomen en kenmerkende eigenschappen van de stem onderscheiden dysartrie van de spraakklankstoornis, hoewel het onderscheid bij jonge kinderen (onder de 3 jaar) soms niet gemakkelijk is, vooral als er sprake is van geen of minimale betrokkenheid van algemene lichaamsbeweging (bijvoorbeeld bij het syndroom van Worster-Drought).
Selectief mutisme Weinig spreken kan wijzen op selectief mutisme, een angststoornis waarbij in een of meer situaties weinig gesproken wordt. Selectief mutisme kan zich ontwikkelen bij kinderen met een spraakstoornis omdat ze zich schamen voor hun problemen, maar veel kinderen met selectief mutisme spreken normaal in een ‘veilige’ situatie, bijvoorbeeld thuis of in aanwezigheid van hechte vrienden.