Werkwijze bij de diagnostiek
Werkwijze bij de diagnostiek
Veel mensen melden problemen met hun slaap, maar het is belangrijk om te onthouden dat niet alle slaapproblemen vormen van insomnia zijn. De eerste belangrijke overweging is of de persoon zelf klachten heeft over zijn of haar slaap. Zo kan iemand een korte slaapperiode hebben, maar de lengte daarvan niet verontrustend vinden. Het is belangrijk om precies vast te stellen wat de klacht van de patiënt is — moeilijk in slaap vallen, moeite hebben met doorslapen, ’s morgens vroeg wakker worden, of een combinatie daarvan — omdat deze informatie op de aanwezigheid van andere slaap-waakstoornissen kan wijzen. Sommige mensen zijn in staat om duidelijk afgebakende tijdstippen te noemen waarop ze een verslechtering van de klacht ervaren (bijvoorbeeld: ‘Ik heb elke zondagavond moeite om in slaap te vallen, omdat ik mij zorgen maak over de komende week’). Sommigen kunnen specifieke locaties aanwijzen die invloed hebben op hun slaap (bijvoorbeeld: ‘Ik kan alleen maar goed slapen op vakantie’), terwijl anderen elke dag moeite hebben met slapen, ongeacht de situatie.
Mensen met een insomniastoornis onderschatten vaak hun werkelijke slaaptijd en rapporteren meer langdurige periodes van ’s nachts wakker liggen dan tijdens objectieve studies van de slaap worden vastgelegd. In het algemeen wordt een slaaplatentietijd (inslaaptijd) of een periode van wakker liggen nadat iemand eerst geslapen heeft, van >30 minuten gezien als buiten de normale grenzen. Ook rapporteren mensen met een insomniastoornis meer klachten overdag, zoals moeite met de concentratie of het uitvoeren van complexe, doelgerichte taken; maar bij het testen blijkt dan vaak dat ze binnen de normale grenzen blijven. Mogelijk zijn de ervaren moeilijkheden het gevolg van de verhoogde inspanning die nodig is om hetzelfde resultaat te behouden.
Mensen met een insomniastoornis worden vaak omschreven als ‘moe, maar opgedraaid’, wat betekent dat ze vermoeidheid rapporteren, maar uit subjectieve en objectieve metingen van slaperigheid niet blijkt dat ze openlijk slaperig zijn, en als ze de kans krijgen, lukt het ze niet om een dutje te doen. Mensen rapporteren vaak een onvermogen om hun geest tot rust te laten komen. Negatieve slaapgerelateerde cognities komen vaak op de voorgrond te staan bij mensen met een insomniastoornis, en deze kunnen de lijdensdruk van mensen met slaapklachten verduidelijken (bijvoorbeeld: ‘Als ik vannacht niet goed slaap, dan voel ik mij morgen op die vergadering verschrikkelijk’). Mensen met een insomniastoornis kunnen overdreven gefocust zijn op het effect van slaapverlies op de prestaties en selectief de aandacht richten op negatieve uitkomsten. Veel patiënten passen hun leven aan hun slaapmoeilijkheden aan. Zo plannen veel mensen ’s ochtends geen werkgerelateerde overleggen, zodat ze kunnen uitslapen na een slechte nacht, of ze proberen vroeg naar bed te gaan om het slaapgebrek ‘in te halen’. Bij kinderen kan insomnia zich manifesteren als een weerstand tegen het slapengaan. Deze kinderen roepen bijvoorbeeld hun ouders/verzorgers meerdere malen terug naar hun slaapkamer, of willen dat die bij hen blijven totdat ze weer in slaap vallen nadat ze ’s nachts zijn wakker geworden. Polysomnografie is niet essentieel om insomnia te diagnosticeren, tenzij andere klinische kenmerken wijzen op een mogelijke fysiologische slaapstoornis, zoals slaapgebonden ademhalingsstoornissen, die vaak comorbide met insomnia voorkomen.