Differentiële diagnostiek

Differentiële diagnostiek

De differentiële diagnostiek van de in­som­ni­a­stoor­nis omvat variaties van de normale slaap, zoals bij mensen die fysiologisch minder slaap nodig hebben, of leef­tijds­ge­re­la­teer­de veranderingen in de slaap. Situationele/acute insomnia kan kortdurend zijn en kan door een belangrijke nieuwe gebeurtenis in het leven worden opgeroepen. Als de insomnia minstens drie nachten per week aanhoudt, met klinisch significante beperkingen als gevolg, maar niet langer dan drie maanden, dan kan de classificatie andere gespecificeerde in­som­ni­a­stoor­nis worden toegekend.

Bij iemand die beoordeeld wordt op een in­som­ni­a­stoor­nis moet primair een circadianeritme-slaap-waakstoornis als differentiële classificatie worden overwogen. Vaak wordt van mensen met het type vertraagde slaapfase van de circadianeritme-slaap-waakstoornissen onterecht gedacht dat ze een in­som­ni­a­stoor­nis hebben, omdat ze moeite hebben om in slaap te vallen. Deze mensen vallen doorgaans later in slaap en slapen tot een later tijdstip dan als gebruikelijk wordt beschouwd, en dit interfereert met hun sociale of beroepsmatige functioneren. Mensen met een vervroegde circadiane fase kunnen melden dat ze ’s avonds overmatig slaperig zijn en dat ze ’s ochtends vroeg wakker worden. Wanneer ze echter naar bed gaan op een tijdstip dat afgestemd is op hun natuurlijke ritme, dan blijken deze mensen geen moeite te hebben met in slaap vallen of doorslapen. Een circadianeritme-slaap-waakstoornis, type vervroegde slaapfase, kan ook gezien worden bij ouderen die ’s morgens heel vroeg wakker worden. Deze mensen vallen doorgaans vroeger in de avond in slaap dan de bedoeling is, ontwaken op een vroeger tijdstip, en kunnen niet meer in slaap vallen. De circadianeritme-slaap-waakstoornis, type ploegendienst, verschilt van de in­som­ni­a­stoor­nis door een ploegendienst in de recente voor­ge­schie­de­nis.

Het rus­te­lo­ze­be­nen­syn­droom kan zich manifesteren als moeilijk in slaap vallen of niet kunnen doorslapen vanwege intrusieve ongemakkelijke sensaties, meestal in de benen. Mensen met een in­som­ni­a­stoor­nis melden vaak dat ze ‘liggen te woelen en te draaien’, terwijl mensen met een rus­te­lo­ze­be­nen­syn­droom rapporteren dat het ze niet lukt om stil te blijven zitten, of dat ze ‘tintelingen’, ‘prikkels’ of ‘gekriebel’ in hun benen voelen. Deze sensaties treden gewoonlijk elke dag rond hetzelfde tijdstip op, of als iemand lang zit, en ze verbeteren bij beweging.

Adem­ha­lings­ge­re­la­teer­de slaap­stoor­nis­sen zijn lastig vast te stellen als alleen de anamnese wordt opgenomen. De risico-indicatoren voor dit type slaap­stoor­nis­sen zijn obesitas, snurken, door anderen waargenomen apneus en overmatige slaperigheid overdag. Mensen met narcolepsie hebben soms comorbide insomnia, hoewel de aandoening vooral gekenmerkt wordt door hy­per­som­no­len­tie. Parasomnia’s worden specifiek gekenmerkt door gebeurtenissen terwijl de persoon slaapt, en patiënten zijn zich meestal niet bewust van hun gedrag, tenzij dit leidt tot ontwaken of zij erover worden ingelicht door iemand die getuige is geweest van het gedrag. Een slaapstoornis door een middel/medicatie kan overlappen met een in­som­ni­a­stoor­nis, maar de eerste komt voor in het kader van een acute intoxicatie door of onttrekking van een middel of medicatie, en hangt chronologisch samen met het gebruik van een (genees)middel.

Een in­som­ni­a­stoor­nis kan comorbide optreden bij andere slaap-waakstoornissen en psychiatrische aandoeningen, waaronder depressiviteit of angst, en de comorbide aandoening wordt vaak gezien als overlappend met of bijdragend aan de in­som­ni­a­stoor­nis.

Zie de DSM-5 voor andere stoornissen die in de differentiële diagnostiek moeten worden overwogen. Zie ook de informatie over comorbiditeit en differentiële diagnostiek onder de betreffende stoornissen in de DSM-5.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.