Opnemen van de anamnese
Opnemen van de anamnese
De 35-jarige Olav Michels presenteert zich met als voornaamste klacht ‘slapeloosheid’. De onderzoeker vraagt hem hoelang zijn klachten aanwezig zijn en of er mogelijk in het begin een trigger is geweest. Daarna worden bijzonderheden over de aard van het probleem verkregen: vindt de heer Michels het moeilijk om in slaap te vallen, door te slapen, of beide? Hoe vaak komt dit in een gewone week voor?
Om een nauwkeurig beeld van het probleem te verkrijgen stelt de onderzoeker vragen over de slaaphygiëne van de heer Michels. Dit levert handvatten op voor een gezondere slaap en voor de classificatie. Ook neemt zij de nacht chronologisch met hem door: ‘Hoe laat gaat u naar bed? Hoe laat schakelt u de tv/verlichting/computer uit en probeert u te gaan slapen? Hoelang duurt het volgens u voordat u in slaap valt? Wordt u weleens wakker nadat u in slaap bent gevallen? Hoelang duurt het om dan weer in slaap te vallen? Hoe laat wordt u voor de laatste keer wakker uit uw slaap, en hoe laat staat u dan op? Zijn die tijden anders in het weekend? Hoe zit het met het doen van dutjes (opzettelijk) of het indommelen (onbedoeld)? Heeft u last van uw slaappatroon? Wat vindt u hinderlijk aan uw slaap?’
Het antwoord op de volgende vraag kan duiden op een circadianeritme-slaap-waakstoornis: ‘Noemt u zichzelf een “nachtuil” of een “vroege vogel” ?’ Met de volgende vragen probeert de onderzoeker de potentiële bijdrage van middelen als cafeïne, tabak en alcohol op de slaap van de heer Michels uit te sluiten: ‘Heeft u weleens slaapmedicijnen genomen? Zo ja, welk geneesmiddel gebruikt u dan en op welk moment? Gebruikt u middelen die invloed kunnen hebben op uw slaap?’ Vragen die zij hem stelt om hem te screenen op het obstructieve-slaapapneu-/hypopneusyndroom zijn: ‘Denkt u dat u snurkt? Heeft iemand u ooit verteld dat u tijdens uw slaap lijkt te stoppen met ademhalen? Bent u overdag slaperig?’
Bij het onderzoek naar insomnia is het nuttig om de specifieke kenmerken van het slaapprobleem boven tafel te krijgen. Mensen met insomnia waarderen het meestal zeer dat de onderzoeker aandacht heeft voor details als hij vragen stelt over alle aspecten van hun nachtelijke slaap. Omdat ze zelf meestal al alle mogelijke bijdragen aan hun verstoorde slaap hebben onderzocht en het ze niet is gelukt om een oplossing te vinden, kunnen ze hun slaappatroon doorgaans tot in de kleinste details bespreken. Door vast te stellen welk deel van de nacht het meest is aangedaan, kunnen andere aandoeningen in- of uitgesloten worden. Zo kan moeite met het in slaap vallen ook worden toegeschreven aan het rustelozebenensyndroom of een circadianeritme-slaap-waakstoornis, type vertraagde slaapfase. Het is belangrijk om deze andere slaapstoornissen te overwegen, aangezien de behandelingen zeer verschillend zijn.