Opnemen van de anamnese

Opnemen van de anamnese

Doorgaans zal een patiënt bij de clinicus melden dat hij zich in zijn seksuele fantasieën, impulsen en handelingen (bijvoorbeeld ge­slachts­ge­meen­schap of masturbatie) richt op een fetisj. De onderzoeker moet verder exploreren of de patiënt intens opgewonden raakt door het gebruik van een fetisj en om wat voor soort fetisj het gaat, door te vragen: ‘Raakt u weleens opgewonden door een of meer voorwerpen te gebruiken — bijvoorbeeld de slipjes, bh’s of schoenen van uw vriendin? Raakt u weleens opgewonden door tijdens de seks de voeten of tenen van uw vriendin te zoenen of eraan te zuigen? Is er een ander deel van haar lichaam, naast haar borsten en geslachtsdelen, waardoor u seksueel opgewonden raakt?’ Zodra de onderzoeker vaststelt dat de patiënt opgewonden raakt door het gebruik van een of meer fetisjen, dient hij meer informatie te verkrijgen over de duur en de intensiteit: ‘Hoelang maakt u al gebruik van deze fetisj (voorwerp of lichaamsdeel, bijvoorbeeld slipjes, bh’s, sokken of tenen) om opgewonden te raken tijdens het vrijen, masturberen of fantaseren over seks? Bent u in staat om seks te hebben (of te masturberen) zonder deze fetisj?’ De onderzoeker moet ook de aanwezigheid van een andere parafiele stoornis uitsluiten door bijvoorbeeld te vragen: ‘Draagt u weleens vrouwenkleren tijdens de seks? Raakt u daarvan opgewonden? Gebruikt u uw fetisj om uw partner tijdens de seks mee te slaan?’

Ten slotte moet de onderzoeker vaststellen of het gebruik van een fetisj lijdensdruk of beperkingen veroorzaakt door te vragen: ‘Wat denkt uw partner over het gebruik van uw fetisj tijdens de seks? Hoe voelt u zich over het gebruik van uw fetisj(en)? Voelt u zich schuldig of beschaamd dat u die moet gebruiken? Bent u weleens in de problemen gekomen door uw gebruik van fetisjen, zoals bestraft of aangehouden vanwege het meenemen van een fetisj die niet van u was?’

De beschrijving van het gedrag — het gebruik van verschillende fetisjen, zoals ondergoed of de voet of een teen van een partner — en het feit dat het gedrag leidt tot seksuele opwinding bij de patiënt, zijn van cruciaal belang voor het herkennen van fetisjistisch gedrag of fetisjisme. De vragen over lijdensdruk of beperkingen op bepaalde terreinen van het functioneren zijn cruciaal voor het vaststellen van een fe­ti­sjis­me­stoor­nis. Het is doorgaans niet moeilijk om een gedetailleerde beschrijving te krijgen van de voorwerpen, de ermee samenhangende handelingen (bijvoorbeeld aanraken of ruiken) en de frequentie, maar de patiënt kan ontwijkende antwoorden geven over enkele aan het gedrag gerelateerde problemen, zoals de acceptatie van het gedrag door de partner, de seksuele disfunctie in het geval de fetisj niet wordt gebruikt, of met het gedrag samenhangende criminele activiteiten. Het is van belang om een sfeer van vertrouwen te creëren om alle symptomen van fetisjisme aan het licht te brengen. Het klinische onderzoek is de hoeksteen voor het vaststellen van de classificatie.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.