Differentiële diagnostiek

Differentiële diagnostiek

De differentiële diagnostiek van de fe­ti­sjis­me­stoor­nis is relatief beperkt. Een fe­ti­sjis­me­stoor­nis moet worden onderscheiden van andere parafilieën, namelijk de trans­ves­tie­stoor­nis (seksuele opwinding door het gebruik van een fetisj versus seksuele opwinding door crossdressing — in beide gevallen kan damesondergoed worden gebruikt) en de seksueel-ma­so­chis­me­stoor­nis (seksuele opwinding door een fetisj aan te raken, eraan te ruiken of vast te houden versus seksuele opwinding doordat de sekspartner de betrokkene met behulp van verschillende voorwerpen slaat of deze vastbindt). Een fe­ti­sjis­me­stoor­nis kan gezamenlijk voorkomen met andere parafiele stoornissen. Het onderscheid tussen een fe­ti­sjis­me­stoor­nis en een trans­ves­tie­stoor­nis kan soms lastig zijn, omdat hun fenomenologie vergelijkbaar is. Deze differentiële diagnostiek is echter in wezen vrij eenvoudig: bij de trans­ves­tie­stoor­nis worden de kledingstukken uitsluitend gedragen tijdens crossdressing. Een fe­ti­sjis­me­stoor­nis mag niet worden vastgesteld als het voorwerp dat gebruikt wordt is ontworpen voor genitale stimulatie (bijvoorbeeld een vibrator).

Sommige mensen kunnen een fetisj gebruiken (bijvoorbeeld likken aan de tenen van de partner of leren laarzen dragen) tijdens het voorspel of de seksuele activiteit en er niet onder lijden — dit gedrag moet worden gecategoriseerd als fetisjistisch gedrag zonder fe­ti­sjis­me­stoor­nis. Een fe­ti­sjis­me­stoor­nis kan ook voorkomen bij mensen met andere psychische stoornissen, zoals een per­soon­lijk­heids­stoor­nis, een stem­mings­stoor­nis en een stoornis in de impulscontrole.

De fe­ti­sjis­me­stoor­nis komt vooral bij mannen voor en het beloop van de stoornis is chronisch. Als gevolg van deze stoornis kunnen depressiviteit en drugsgebruik ontstaan, die vervolgens van invloed zijn op het klinische beeld. Tijdens momenten waarop de fetisj niet beschikbaar is, kan een seksuele disfunctie ontstaan. Als de patiënt het gedrag ontkent of bagatelliseert, kan dit de differentiële diagnostiek belemmeren. Af en toe kan een verwonding optreden als een fetisj wordt ingebracht of als fetisjistisch gedrag als zuigen op een lichaamsdeel excessief wordt of verandert in schadelijker gedrag, zoals bijten.

Zie de DSM-5 voor andere stoornissen die in de differentiële diagnostiek moeten worden overwogen. Zie ook de informatie over comorbiditeit en differentiële diagnostiek onder de betreffende stoornissen in de DSM-5.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.