Opnemen van de anamnese
Opnemen van de anamnese
Julia, een 5-jarig meisje, wordt door haar huisarts doorverwezen wegens een darmobstructie na het eten van een spons. Op een voorzichtige en niet-oordelende wijze vraagt de onderzoeker of zij vaker sponzen eet en of ze weleens andere dingen eet behalve ‘gewoon’ eten. Het meisje maakt een verlegen indruk en ze kijkt gauw naar haar moeder, die antwoordt dat ze de afgelopen weken heeft gemerkt dat er sponzen zijn verdwenen en ook bij de was had gemerkt dat Julia’s beddengoed gerafeld was en dat er stukjes van de lakens ontbraken. Nadat haar nogmaals op het hart wordt gedrukt dat niemand boos wordt als ze daarover praat, geeft Julia toe dat ze de vermiste sponzen heeft opgegeten en ook stukjes van haar beddengoed had afgebeten. Omdat kinderen meestal niet goed aangeven hoelang een probleem al bestaat, vraagt de onderzoeker de moeder precies na te gaan wanneer ze voor het eerst heeft gemerkt dat er sponzen of stukjes beddengoed waren verdwenen, of wanneer ze argwaan kreeg over het eetgedrag van Julia. Zij stelt vragen over Julia’s algemene ontwikkeling, waaronder haar taal- en sociale ontwikkeling, om te kunnen bepalen of er sprake is van een ontwikkelingsachterstand of verstandelijke beperking, wat vaak samengaat met pica. Moeder vertelt dat Julia laat ging praten en geen goed oogcontact maakte. Ze is nooit onderzocht op een autismespectrumstoornis. Om te bepalen of de inname van niet voor consumptie bestemde stoffen ongewoon is voor Julia’s ontwikkelingsniveau, vraagt de onderzoeker naar vergelijkbaar gedrag, zoals het in de mond stoppen van speelgoed. Moeder vertelt dat Julia ongeveer twee jaar geleden is gestopt met dingen in haar mond stoppen, wat erop wijst dat haar huidige eetgedrag niet past bij haar ontwikkelingsniveau. Uiteindelijk vraagt de onderzoeker of er in het gezin culturele gebruiken zijn waarbij dit soort dingen worden gegeten. Moeder antwoordt dat zij dit soort gebruiken niet kennen.
Omdat patiënten met pica zich ongemakkelijk kunnen voelen of, vanwege een verstandelijke beperking, fysiek soms niet in staat zijn om hun eetgedrag te bespreken, is de informatie van ouders of andere verzorgers uitermate belangrijk. Daar komt bij dat kinderen meestal niet voortdurend in de gaten worden gehouden, zodat het eten van niet-eetbare dingen soms niet wordt opgemerkt. Daarom is ander bewijsmateriaal belangrijk, zoals vermissing van voorwerpen, of het aantreffen van voorwerpen in de ontlasting of in het spijsverteringskanaal bij een maagdarmonderzoek. Sommige kinderen zijn misschien weleens gestraft voor het eten van voorwerpen. Om accurate informatie te kunnen krijgen, is het daarom van belang hen aan te moedigen en te verzekeren dat ze ongestraft over hun gedrag mogen praten.