Werkwijze bij de diagnostiek

Werkwijze bij de diagnostiek

Mensen met anorexia nervosa komen doorgaans alleen voor onderzoek omdat zij daartoe door hun ouders en dierbaren zijn aangezet en niet op eigen initiatief. Om die reden is het belangrijk om het dossier te raadplegen en gesprekken te voeren met gezinsleden of belangrijke anderen om een accurate weergave van de symptomen te verkrijgen. De betrokkene moet aan drie specifieke criteria voldoen voordat de classificatie mag worden toegekend; daarnaast is er extra informatie nodig voor de specificaties van subtypen en ernst.

Om vast te stellen of er sprake is van een (te) laag lichaamsgewicht (het eerste criterium), is het belangrijk om het huidige gewicht en de huidige lengte van de betrokkene te weten, en ook wat het laagste en hoogste gewicht bij de huidige lengte zijn geweest. Het is ook nuttig als bij deze gegevens een datum bekend is. Als de betreffende persoon nog in de groei is, is het belangrijk om zijn of haar groeicurve te hebben om te kunnen zien of er significant van het patroon wordt afgeweken. Voor volwassenen wordt doorgaans uitgegaan van een BMI < 18,5 kg/m2, maar uitzonderingen hierop zijn mogelijk. Bij kinderen en adolescenten wordt een BMI onder de 5de percentiel voor leeftijd en geslacht doorgaans als een (te) laag gewicht beschouwd. Specificaties voor de ernst worden voor volwassenen als volgt op het lichaamsgewicht gebaseerd: licht, BMI ≥17 kg/m2; matig, BMI 16–16,99 kg/m2; ernstig, BMI 15–15,99 kg/m2; en zeer ernstig, BMI < 15 kg/m2.

Het tweede criterium is vrees voor gewichtstoename, wat verbaal en rechtstreeks kan worden gevraagd, of kan worden vastgesteld op grond van aanhoudend gedrag dat gewichtstoename tegengaat, wat erop wijst dat deze vrees aanwezig is en door dit gedrag wordt verlicht. Een goede vraag in dit kader is wat de patiënt ervan zou vinden als hij of zij tijdens de behandeling zwaarder wordt. De meeste mensen met anorexia nervosa uiten weerstand tegen gewichtstoename, ook als zij niet hebben gezegd dat zij bang zijn om aan te komen.

Het derde criterium, te veel waarde toekennen aan de lichaamsvorm en het lichaamsgewicht, is te beoordelen door te vragen hoe belangrijk zij hun lichaamsvorm en -gewicht vinden als zij zelf een lijstje zouden moeten maken met persoonlijke eigenschappen zoals werkhouding en vriendschappen, in volgorde van belangrijkheid. Mensen die hun lichaamsvorm en -gewicht te veel waarde toekennen, zetten deze aspecten veelal in het bovenste gedeelte van die lijst. Een verstoring van het lichaamsbeeld of gebrek aan inzicht in de ernst van het huidige gewicht kan worden beoordeeld door te vragen of het huidige gewicht acceptabel is, of wat het ideale gewicht van de persoon in kwestie is. Een andere goede vraag is welke lichaamsdelen de persoon, ondanks het algehele (te) lage lichaamsgewicht, (te) dik vindt. Om te bepalen welk subtype van toepassing is, moet de onderzoeker de betrokkene vragen of hij of zij aan purgeren doet (zelfopgewekt braken of misbruik van laxeermiddelen, diuretica of klysma’s) of eetbuien heeft. Als op deze vraag geen duidelijk antwoord volgt, moet de onderzoeker navraag doen bij gezinsleden of zij hebben opgemerkt dat de betrokkene na de maaltijd naar het toilet gaat, of dat er veel voed­sel­ver­pak­kin­gen bij het afval hebben gezeten.

In de DSM-5 staat: ‘Bij anorexia nervosa is er een verhoogd suïciderisico; er zijn cijfers gerapporteerd van 12 op de 100.000 per jaar. Een volledig onderzoek van mensen met anorexia nervosa omvat ook een beoordeling van de aanwezigheid van su­ï­ci­de­ge­dach­ten en suïcidegedrag en van andere risicofactoren voor suïcide, waaronder een of meer eerdere suïcidepogingen’ (Handboek, p. 481).

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.