Werkwijze bij de diagnostiek

Werkwijze bij de diagnostiek

Mensen met een morfodysfore stoornis melden zich vaak slechts met tegenzin voor een ggz-beoordeling en -behandeling. Ze kunnen zich buitensporig onaantrekkelijk voelen en denken dat hun ellende alleen verzacht kan worden door een ervaren plastisch chirurg of dermatoloog, en niet door een therapeut of psychiater. De kans dat deze weerstand tegen het hulp zoeken in de geestelijke gezondheidszorg minder wordt, is groter als de ggz-professional een zorgzame, niet-oordelende houding aanneemt, waarin de lijdensdruk en de pijn door het vermeende gebrek volledig worden erkend, zij het zonder dat de zorgverlener de aanwezigheid van het gebrek zelf erkent.

Het is cruciaal om de aanwezigheid van een misvorming uit te sluiten door het uiterlijk van de persoon te observeren. In gevallen waarin een misvorming wel degelijk zichtbaar is, is het van belang te onderzoeken of die zelf toegebracht is en bijvoorbeeld het resultaat is van een poging om het vermeende defect te corrigeren (bijvoorbeeld bij littekens als gevolg van overmatig huidpulken met de bedoeling om een huidvlek te verwijderen). Ook een angstig affect en gebrekkig oogcontact kunnen duiden op sociaal ongemak en sociale vermijding gerelateerd aan de morfodysfore stoornis. Andere aanwijzingen in het uiterlijk van de patiënt kunnen duiden op compenserende maatregelen bedoeld als camouflage (bijvoorbeeld ongebruikelijke, grote of eigenaardige accessoires of kleding, die soms strategisch geplaatst worden om bepaalde lichaamsdelen te verbergen).

Behalve de gebruikelijke componenten van een uitgebreide anamnese die nodig zijn voor een accurate classificatie, is een aantal vragen van specifiek belang bij de beoordeling van een patiënt met vermoedelijk een morfodysfore stoornis. Het is cruciaal om te onderzoeken in hoeverre de patiënt ‘corrigerende’ maatregelen overweegt, waaronder invasieve operaties door andere specialisten. Indien de patiënt daar toestemming voor geeft, moet contact worden opgenomen met deze specialisten om de zorg te coördineren en hen psycho-educatie te bieden. Professionals in andere disciplines hebben mogelijk weinig kennis van de morfodysfore stoornis (alsook van tri­cho­til­lo­ma­nie en de ex­co­ri­a­tie­stoor­nis) en van de psychologische basis van de op het uiterlijk gerichte klachten van mensen. Het is vaak de rol van de ggz-hulpverlener om educatie te bieden over deze aandoeningen aan zowel de patiënt als andere zorgverleners, en uit te leggen dat een niet-psychiatrische benadering van de behandeling zelden tot genezing leidt en de aandoening in feite kan verergeren. Samenwerking met andere zorgverleners heeft als doel een verenigd front te creëren ten opzichte van patiënten over het primaat van een ggz-behandeling in hun situatie, en kan verdeeldheid onder behandelaars en toename van de symptomen voorkomen en leiden tot een groter bewustzijn.

Voordat de clinicus de diagnostiek versmalt en gerichtere vragen stelt, dient hij of zij bijzondere aandacht te besteden aan andere aandoeningen die kenmerken met de morfodysfore stoornis gemeen hebben. Het gaat hierbij vooral om andere stoornissen in het obsessieve-compulsieve spectrum (gekenmerkt door repetitief gedrag of geestelijke activiteiten) en eetstoornissen (waarbij ongerustheid over het lichaamsgewicht vaak een bepalend kenmerk is).

Daarnaast moeten de op het uiterlijk gerichte klachten van patiënten in hun bredere culturele context geplaatst worden. Bijvoorbeeld de fixatie op de BMI en bicepsgrootte van een jonge bodybuilder met vermoedelijk een musculodysfore stoornis moet verder gaan dan de cultureel breed gedragen ideeën over sporten en een gespierde lichaamsbouw en dient bij hem of haar meer lijdensdruk en beperkingen te vooroorzaken dan bij vergelijkbare fervente sport­school­be­zoe­kers in zijn of haar leef­tijds­ca­te­go­rie.

Zoals vermeld in de DSM-5 komen ‘zowel bij volwassenen als bij kinderen en adolescenten met een morfodysfore stoornis […] su­ï­ci­de­ge­dach­ten en -pogingen veel voor. Daarbij is het risico op suïcide bij adolescenten hoog. Een groot deel van de betrokkenen wijt deze su­ï­ci­de­ge­dach­ten of -pogingen voornamelijk aan hun zorgen over hun uiterlijke verschijning. Bij mensen met een morfodysfore stoornis bestaan er veel risicofactoren voor geslaagde suïcides, zoals het vaker voorkomen van su­ï­ci­de­ge­dach­ten en -pogingen, demografische kenmerken die geassocieerd zijn met suïcide en een verhoogde kans op een comorbide depressieve stoornis’ (Handboek, p. 358).

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.