Vragen om te bespreken met collega’s en docenten
Vragen om te bespreken met collega’s en docenten
1Hoe is de classificatie somatisch-symptoomstoornis of verwante stoornis het best met de patiënt te bespreken?
2Hoe kunnen ggz-hulpverleners hun collegae in andere specialismen het best adviseren wanneer deze iemand in hun praktijk hebben met een somatisch-symptoomstoornis of verwante stoornis?
3Hoe kan een zorgverlener bepalen of iemands ziektegerelateerde gedachten, gevoelens en gedragingen buitenproportioneel zijn ten opzichte van zijn of haar actuele gezondheidstoestand, of indien van toepassing, zijn of haar ziekte?
4Welke verschijnselen kunnen bij een lichamelijk onderzoek wijzen op een conversiestoornis (functioneel-neurologisch-symptoomstoornis)?
5Hoe is een somatisch-symptoomstoornis door de zorgverlener klinisch te onderscheiden van een ziekteangststoornis?
6Wat is de beste benaderingswijze voor mensen met een somatisch-symptoomstoornis of verwante stoornis in de ggz, aangezien het inherent aan hun ziektebeeld is dat zij volledig zijn gericht op hun somatische en niet op hun geestelijke gezondheid?