Op een casus gebaseerde vragen

Op een casus gebaseerde vragen

A Mevrouw Nicolaas (75 jaar) meldt dat haar geheugen in de afgelopen twee jaar geleidelijk is achteruitgegaan. Haar partner vertelt dat zij geregeld vragen herhaalt en af en toe vergeet wat ze zich had voorgenomen om te gaan doen. Volgens beiden is de persoonlijkheid of het gedrag van mevrouw Nicolaas niet veranderd.

Welke stoornis zou deze symptomen kunnen veroorzaken? Haar symptomen lijken op die van een NCS door de ziekte van Alzheimer.

B Na doorvragen blijken deze symptomen abrupt te zijn begonnen nadat mevrouw Nicolaas naar de huisarts is gegaan vanwege plotselinge visusklachten. Zij is van mening dat de symptomen toen zijn begonnen, maar haar partner meent dat er al eerder sprake was van bepaalde ge­heu­gen­pro­ble­men.

Welke aandoeningen kunnen abrupt leiden tot cognitieve problemen, of deze verergeren? Plotseling ontstane ge­heu­gen­stoor­nis­sen kunnen worden veroorzaakt door een beroerte of een andere acute somatische aandoening (bijvoorbeeld encefalitis of de groei van een hersentumor naar een kritieke omvang). Clinici krijgen vaak te maken met betrokkenen die van mening verschillen over de aanvang van symptomen; in dit geval zouden de ge­heu­gen­be­per­kin­gen begonnen kunnen zijn vóór de gebeurtenis die door mevrouw Nicolaas wordt beschreven (wat consistent is met de ziekte van Alzheimer), zouden die kunnen zijn veroorzaakt dóór deze gebeurtenis (wat consistent is met een vasculaire ziekte), of zou er sprake kunnen zijn van een bestaande ziekte van Alzheimer die verergerd is door een beroerte.

C Mevrouw Nicolaas ondergaat een MRI, die het bewijs levert van een beroerte in het vaatstelsel in de geheugencentra in de hippocampus en de gebieden van de visuele verwerking in het achterhoofd. Uit genetisch onderzoek blijkt dat zij drager is van het apolipoproteïne E4-gen. Zij meldt dat haar beide ouders de ziekte van Alzheimer hadden. Uit neu­ro­psy­cho­lo­gisch onderzoek blijkt dat ze beperkingen heeft in het geheugen en de visuele waarneming, maar dat haar functioneren in andere gebieden intact is. Uit een onderzoek naar haar me­di­ca­tie­ge­bruik blijkt dat ze sinds kort een benzodiazepine slikt tegen haar ‘zenuwen’.

Wat zijn de mogelijke oorzaken van haar beperkingen, en zijn die omkeerbaar? Na raadplegen van het pa­ti­ën­ten­dos­sier van mevrouw Nicolaas blijkt dat er drie mogelijke oorzaken zijn voor de beperkingen in haar geheugen: (1) MRI-bewijs voor een beroerte in de slagader die de hippocampus voedt, waarvan verwacht kan worden dat dit tot ge­heu­gen­be­per­kin­gen leidt; (2) aanwijzingen uit genetisch onderzoek voor de ziekte van Alzheimer; en (3) de recente introductie van een geneesmiddel (in dit geval een benzodiazepine) dat vaak interfereert met het cognitieve functioneren. Als een patiënt symptomen van een angststoornis heeft, dient een passende behandeling te worden gestart omdat angst ook kan interfereren met het cognitieve functioneren. Deze casus laat zien hoe complex het beoordelen en behandelen van cognitieve stoornissen bij ouderen kan zijn; veel stoornissen hebben meerdere oorzaken, waarvan sommige reversibel, andere stabiel en weer andere degeneratief zijn.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.