Dimensionaal model van persoonlijkheidsstoornissen
Abraham M. Nussbaum
Screeningsvragen:Heeft u in uw leven eigenlijk nooit een redelijk stabiel beeld gehad van wie u bent, of vindt u dat u daar geen idee van heeft of was dat heel wisselend? Vindt u dat u niet altijd goed in staat was om de kwaliteit van uw leven in te schatten en uw eigen emoties te voelen en zo nodig bij te sturen, of was dat heel wisselend? Als u uw leven overziet, lijkt het dan of u veel moeite heeft moeten doen om op een doelgerichte manier op korte of lange termijn te bereiken wat u van plan was?
Indien ja op één of meer vragen, vraag:Vindt u dat u in uw leven steeds moeite heeft met inzien hoe een ander iets ervaart, met accepteren dat anderen anders denken over dingen en met begrijpen welk effect uw gedrag op anderen heeft? Moet u erg veel moeite doen om een diepgaande positieve relatie met anderen aan te gaan en die in stand te houden?
Indien ja op één of beide vragen, vraag:Als mensen hun leven overzien, kunnen ze vaak bepaalde constante gewoonten of persoonlijkheidstrekken aangeven die zij al hun leven lang hebben. Als u zo naar uzelf kijkt, ziet u dan één van de volgende persoonlijkheidstrekken relatief constant: een negatief gevoel over uzelf dat onder invloed van de omstandigheden snel kan veranderen; er dwangmatig op gericht zijn om alles perfect en keurig netjes geordend te krijgen; emotioneel intieme relaties met anderen vermijden of afkappen, zodanig dat u geen band met anderen voelt; vasthouden aan gedrag of opvattingen die veel anderen ongewoon of excentriek vinden; een aanhoudend gevoel dat u veel beter bent dan anderen en veel meer waardering verdient; of een manier van doen die veel mensen manipulatief, leugenachtig, vijandig of onverantwoordelijk vinden?
► Als negatieve affectiviteit, gekenmerkt door een instabiele negatieve stemming, op de voorgrond staat, ga door naar de criteria voor de borderline-persoonlijkheidsstoornis.
► Als dwangmatigheid op de voorgrond staat, ga door naar de criteria voor de dwangmatige-persoonlijkheidsstoornis.
► Als afstandelijkheid op de voorgrond staat, ga door naar de criteria voor de vermijdende-persoonlijkheidsstoornis.
► Als psychoticisme, gekenmerkt door vreemd of excentriek gedrag, op de voorgrond staat, ga door naar de criteria voor de schizotypische-persoonlijkheidsstoornis.
► Als antagonisme, gekenmerkt door manipulatief, leugenachtig, vijandig en onverantwoordelijk gedrag, op de voorgrond staat, ga door naar de criteria voor de antisociale-persoonlijkheidsstoornis.
► Als antagonisme, gekenmerkt door grandiositeit en aandacht zoeken op de voorgrond staat, ga door naar de narcistische-persoonlijkheidsstoornis.
1 Algemene criteria voor persoonlijkheidsstoornissen
a Exclusies
i Kies niet voor deze classificatie als de beperkingen in het persoonlijkheidsfunctioneren en de uitingen van de persoonlijkheidstrekken in de loop der tijd instabiel zijn en zich niet in alle situaties voordoen.
ii Kies niet voor deze classificatie als de beperkingen in het persoonlijkheidsfunctioneren en de uitingen van de persoonlijkheidstrekken binnen het ontwikkelingsniveau of de sociaal-culturele omgeving van de betreffende persoon kunnen worden verwacht.
iii Kies niet voor deze classificatie als de beperkingen in het persoonlijkheidsfunctioneren en de uitingen van de persoonlijkheidstrekken uitsluitend samenhangen met de directe fysiologische effecten van een somatische aandoening of een middel.
b Aanvullende kenmerken
i Beschrijvende kenmerken
► Meer pervasieve negatieve affectiviteit
► Meer pervasieve afstandelijkheid
► Meer pervasief antagonisme
► Meer pervasieve ongeremdheid
► Meer pervasief psychoticisme
► Niveau van persoonlijkheidsfunctioneren (0–4) (zie de Niveaus van Persoonlijkheidsfunctioneren Schaal in dit hoofdstuk)
c Andere mogelijkheid: Als iemand significante beperkingen in het functioneren van het zelf en het interpersoonlijke functioneren vertoont, maar niet aan de criteria voldoet voor een specifieke persoonlijkheidsstoornis, kunt u denken aan de trekgespecificeerde persoonlijkheidsstoornis (zie voor de volledige voorgestelde criteria DSM-5, p. 1017). Bij deze stoornis kunt u de domeinen specificeren waarin de pathologische persoonlijkheidsdomeinen (negatieve affectiviteit, afstandelijkheid, antagonisme, ongeremdheid en psychoticisme) aanwezig zijn en de classificatie toekennen. Desgewenst kunt u de specifieke trekfacetten van ieder domein gebruiken om de classificatie te detailleren. (Een opsomming van deze facetten is te vinden in de Beoordelingslijst voor persoonlijkheidstrekken op p. 272 van dit hoofdstuk.)
2 Borderline-persoonlijkheidsstoornis
a Inclusie: Vereist zijn beperkingen in het functioneren van het zelf, zoals blijkt uit minstens één van de volgende problemen.
i Identiteit: Is het gevoel over wie u bent erg wisselend en niet goed ontwikkeld? Bent u extreem kritisch op uzelf? Voelt u zich vaak leeg? Als u stress heeft, voelt het dan wel eens of u van buitenaf naar uw eigen verstand, uw denken, uw gevoelens, uw sensaties, uw lichaam of uw hele persoon kijkt? En lijkt het alsof mensen of plaatsen onwerkelijk, als in een droom, mistig, levenloos of visueel vervormd zijn?
ii Zelfsturing: Verandert u vaak van gedachten als het gaat om wat u wilt in het leven, met uw werk en wat u belangrijk vindt?
b Inclusie: Daarnaast zijn vereist beperkingen in het interpersoonlijke functioneren, zoals blijkt uit minstens één van de volgende problemen.
i Empathie: Heeft u moeite om aan te voelen waar anderen behoefte aan hebben en wat zij voelen? Voelt u zich vaak gekleineerd of beledigd? Als u aan andere mensen denkt, denkt u dan meestal aan hun negatieve eigenschappen of hun zwakke kanten?
ii Intimiteit: Bent u bang om zich aan iemand te hechten uit angst om in de steek gelaten te worden? Zijn de meeste van uw intieme relaties kort en hevig? Voelt u afwisselend dat de mensen in uw leven ofwel heel goed of heel slecht zijn? Voelt u zich afwisselend heel erg betrokken bij anderen en trekt u zich daarna weer helemaal uit de relatie terug?
c Inclusie: Daarnaast zijn vereist pathologische persoonlijkheidstrekken uit minstens één van de volgende domeinen.
i Negatieve affectiviteit, gekenmerkt door minstens één van de volgende eigenschappen.
► Emotionele labiliteit: Bent u snel geëmotioneerd of heeft u heftige emoties? Zijn uw emoties vaak veel sterker dan de gebeurtenis of omstandigheden die de aanleiding vormde(n)?
► Ongerustheid: Bent u vaak heel erg nerveus, gespannen of in paniek, vooral bij stress? Voelt u zich vaak bang of onzeker? Piekert u erover hoe negatieve ervaringen uit het verleden invloed hebben op uw toekomst? Bent u bang om in te storten of de controle te verliezen?
► Separatieangst: Bent u heel erg bang om door de mensen van wie u houdt te worden afgewezen of van hen te worden gescheiden?
► Depressiviteit: Voelt u zich vaak verdrietig, ellendig of moedeloos? Vindt u het moeilijk om van dit soort stemmingen te herstellen? Bent u erg pessimistisch over de toekomst? Schaamt u zich vaak voor uzelf of vindt u zichzelf waardeloos? Denkt u er vaak aan uzelf iets aan te doen of er een eind aan te maken?
ii Ongeremdheid, gekenmerkt door minstens één van de volgende eigenschappen.
► Impulsiviteit: Gedraagt u zich vaak impulsief, zonder plan of vooraf na te denken over de gevolgen? Heeft u moeite om plannen te maken en zich hieraan te houden? Wordt u bij stress erg onrustig of krijgt u dan de neiging om uzelf wat aan te doen?
► Riskant gedrag: Onderneemt u vaak gevaarlijke en riskante activiteiten waarbij u gewond kunt raken, zonder rekening te houden met de gevolgen?
iii Antagonisme, gekenmerkt door de volgende eigenschap.
► Vijandigheid: Bent u vaak boos of prikkelbaar, vooral in reactie op een onbeduidende kleinerende opmerking of belediging?
d Exclusies: Zie de Algemene criteria voor persoonlijkheidsstoornissen
e Aanvullende kenmerken: Zie de Algemene criteria voor persoonlijkheidsstoornissen, én:
f Andere mogelijkheid: Zie de Algemene criteria voor persoonlijkheidsstoornissen
3 Dwangmatige-persoonlijkheidsstoornis
a Inclusie: Vereist zijn beperkingen in het functioneren van het zelf, zoals blijkt uit minstens één van de volgende problemen.
i Identiteit: Heeft u het gevoel dat wie u bent en wat u als mens waardevol maakt vooral afhangt van uw werk en hoe productief u bent? Is het voor u zo moeilijk om sterke emoties te ervaren en te uiten, dat u dit een tekort aan emoties zou kunnen noemen?
ii Zelfsturing: Voelt u zo’n sterke behoefte om uw werk grondig te doen of uw plicht volledig te vervullen dat het moeilijk voor u is om taken af te maken? Heeft u zulke hoge morele normen dat het moeilijk voor u is om uw doelen te verwezenlijken?
b Inclusie: Daarnaast zijn vereist beperkingen in het interpersoonlijke functioneren, zoals blijkt uit minstens één van de volgende problemen.
i Empathie: Vindt u het moeilijk om de ideeën en gevoelens of het gedrag van anderen te begrijpen en te waarderen?
ii Intimiteit: Vindt u relaties meestal bijkomstig of minder belangrijk dan uw werkleven? Is het moeilijk om relaties met anderen in stand te houden doordat u vaak de behoefte heeft om gelijk te hebben of om niet van uw standpunt af te wijken?
c Inclusie: Daarnaast zijn vereist pathologische persoonlijkheidstrekken uit beide volgende domeinen.
i Dwangmatigheid, gekenmerkt door de volgende eigenschap.
► Rigide perfectionisme: Wilt u meestal per se dat alles in uw leven onberispelijk, perfect, feilloos of foutloos is? Komt het vaak voor dat u een activiteit of project niet op tijd afkrijgt omdat u wilt dat ieder detail klopt? Vindt u meestal dat er maar één juiste manier is om dingen te doen? Heeft u moeite om uw oorspronkelijk plan of bestaande opvatting te veranderen, ook al wijst alles erop dat er een beter alternatief is? Bent u erg gericht op details, organisatie en orde?
ii Negatieve affectiviteit, gekenmerkt door de volgende eigenschap.
► Perseveratie: Werkt u vaak nog door aan een taak als allang duidelijk is dat het geen nut meer heeft? Blijft u vaak vasthouden aan hetzelfde gedrag, ondanks dat dit herhaaldelijk geen succes is geweest?
d Exclusies: Zie de Algemene criteria voor persoonlijkheidsstoornissen
e Aanvullende kenmerken: Zie de Algemene criteria voor persoonlijkheidsstoornissen
f Andere mogelijkheid: Zie de Algemene criteria voor persoonlijkheidsstoornissen
4 Vermijdende-persoonlijkheidsstoornis
a Inclusie: Vereist zijn beperkingen in het functioneren van het zelf, zoals blijkt uit minstens één van de volgende problemen.
i Identiteit: Is uw gevoel van eigenwaarde zo laag dat u zichzelf in vergelijking met anderen meestal sociaal onbeholpen, onaantrekkelijk of minderwaardig vindt? Voelt u zich vaak pijnlijk in verlegenheid gebracht of tekortschieten als u over uzelf denkt?
ii Zelfsturing: Legt u de lat zo hoog voor uzelf dat het u vaak blokkeert bij het nastreven van een doel, of om risico’s te nemen of nieuwe activiteiten te ondernemen waarbij u met andere mensen te maken krijgt?
b Inclusie: Daarnaast zijn vereist beperkingen in het interpersoonlijke functioneren, zoals blijkt uit minstens één van de volgende problemen.
i Empathie: Merkt u vaak dat u steeds moet denken aan de mogelijkheid dat anderen u zullen bekritiseren of afwijzen?
ii Intimiteit: Gaat u anderen liever uit de weg, tenzij u er zeker van bent dat ze u aardig vinden? Vindt u het moeilijk om relaties te vormen en in stand te houden omdat u bang bent dat mensen u belachelijk maken of voor gek zetten?
c Inclusie: Daarnaast zijn vereist pathologische persoonlijkheidstrekken uit alle volgende domeinen.
i Afstandelijkheid, gekenmerkt door minstens één van de volgende eigenschappen.
► Sociale teruggetrokkenheid: Bent u in sociale situaties meestal zo gereserveerd dat u niets zegt, tenzij dat niet anders kan? Gaat u sociale activiteiten uit de weg? Neemt u zelden de eerste stap of het initiatief om contact te zoeken?
► Vermijding van intimiteit: Gaat u hechte of romantische relaties, verbintenissen met anderen en intieme seksuele relaties gewoonlijk uit de weg?
► Anhedonie: Kost het u veel moeite om echt mee te doen aan plezierige dingen? Heeft u daar geen energie voor? Vindt u het moeilijk om ergens van te genieten?
ii Negatieve affectiviteit, gekenmerkt door de volgende eigenschap.
► Ongerustheid: Bent u vaak heel erg nerveus, gespannen of in paniek, in allerlei sociale situaties? Maakt u zich vaak zorgen over de negatieve gevolgen van pijnlijke ervaringen in het verleden en hoe deze uw toekomst kunnen beïnvloeden? Als u zich in een onzekere of verwarrende situatie bevindt, bent u dan vaak bang of ongerust, of voelt u zich bedreigd?
d Exclusies: Zie de Algemene criteria voor persoonlijkheidsstoornissen
e Aanvullende kenmerken: Zie de Algemene criteria voor persoonlijkheidsstoornissen
f Andere mogelijkheid: Zie de Algemene criteria voor persoonlijkheidsstoornissen
5 Schizotypische-persoonlijkheidsstoornis
a Inclusie: Vereist zijn beperkingen in het functioneren van het zelf, zoals blijkt uit minstens één van de volgende problemen.
i Identiteit: Ervaart u vaak verwarring over de grenzen tussen uzelf en anderen? Zeggen anderen wel eens dat u onverschillig of afstandelijk overkomt?
ii Zelfsturing: Vindt u het vaak moeilijk om realistische of duidelijke doelen te stellen?
b Inclusie: Daarnaast zijn vereist beperkingen in het interpersoonlijke functioneren, zoals blijkt uit minstens één van de volgende problemen.
i Empathie: Kunt u vaak moeilijk begrijpen welk effect uw gedrag heeft op anderen? Merkt u vaak dat u andermans gedrag en bedoelingen verkeerd begrijpt?
ii Intimiteit: Bent u soms zo bang of wantrouwend ten opzichte van anderen dat het moeilijk voor u is om een hechte vriendschap aan te gaan of andere relaties te vormen?
c Inclusie: Daarnaast zijn vereist pathologische persoonlijkheidstrekken uit minstens één van de volgende domeinen.
i Psychoticisme, gekenmerkt door minstens één van de volgende eigenschappen.
► Excentriciteit: Reageren mensen vaak alsof u zich vreemd gedraagt of uw uiterlijk excentriek is? Zeggen mensen u wel eens dat u iets ongepast of ongewoons heeft gezegd?
► Cognitieve en perceptuele disregulatie: Vreemde en ongebruikelijke denkprocessen; gedachten of spreken zijn vaag, wijdlopig, metaforisch, overgedetailleerd of vol stereotypen; merkwaardige sensaties in diverse sensorische modaliteiten. Hebben mensen soms moeite uw gedachtegang te volgen? Kunnen mensen soms met moeite begrijpen wat u zegt? Heeft u soms vreemde gewaarwordingen, zoals het gevoel dat er iets ongewoons op uw huid zit of in uw lichaam, of dat u dingen ziet of hoort die anderen niet kunnen zien of horen?
► Ongewone overtuigingen en ervaringen: Heeft u soms het gevoel dat er iemand is die met u praat en die anderen niet kunnen zien? Bent u erg bijgelovig? Bent u erg bezig met paranormale of magische verschijnselen?
ii Afstandelijkheid, gekenmerkt door minstens één van de volgende eigenschappen.
► Ingeperkte affectiviteit: Merkt u dat u geen extreme emoties ervaart en uit, en dat deze in de loop van de tijd niet veel veranderen? Zeggen anderen wel eens tegen u dat u anders reageert dan verwacht op emotionele situaties? Hebben mensen u wel eens gezegd dat het lijkt of u emotioneel kil of onverschillig bent?
► Sociale teruggetrokkenheid: Bent u meestal liever alleen? Bent u in sociale situaties meestal zo gereserveerd dat u niets zegt, tenzij dat niet anders kan? Gaat u sociale activiteiten uit de weg? Neemt u zelden de eerste stap of het initiatief om contact te zoeken?
iii Negatieve affectiviteit, gekenmerkt door de volgende eigenschap.
► Achterdocht: Betwijfelt u vaak of anderen trouw, loyaal en steunend voor u zullen zijn? Vermoedt u vaak dat anderen negatieve bedoelingen hebben of het op u hebben gemunt? Voelt het vaak of anderen u achtervolgen?
d Exclusies: Zie de Algemene criteria voor persoonlijkheidsstoornissen
e Aanvullende kenmerken: Zie de Algemene criteria voor persoonlijkheidsstoornissen
f Andere mogelijkheid: Zie de Algemene criteria voor persoonlijkheidsstoornissen
6 Antisociale (asociale)-persoonlijkheidsstoornis
a Inclusie: Vereist zijn beperkingen in het functioneren van het zelf, zoals blijkt uit minstens één van de volgende problemen.
i Identiteit: Als u denkt aan dingen waar u trots op bent, is dat dan meestal persoonlijk gewin of genot, of het krijgen of uitoefenen van macht? Als u een beslissing moet nemen, denkt u dan eerder aan wat de gevolgen voor uzelf zijn dan wat voor effect dit op anderen heeft?
ii Zelfsturing: Als u voor uzelf doelen stelt, voor de lange en korte termijn, is het dan vooral belangrijk dat u zelf aan uw trekken komt? Hoe belangrijk is het voor u dat uw doelen niet in strijd zijn met de algemeen geaccepteerde morele en wettelijke regels en richtlijnen?
b Inclusie: Daarnaast zijn vereist beperkingen in het interpersoonlijke functioneren, zoals blijkt uit minstens één van de volgende problemen.
i Empathie: In hoeverre houdt u zich bezig met de gevoelens, behoeften of het lijden van andere mensen? Heeft u wel eens iemand gekwetst of slecht behandeld en had u daarna spijt?
ii Intimiteit: Merkt u dat u met anderen geen relaties kunt aangaan waarin u emotioneel nabij en betrokken bent? Heeft u anderen wel eens tot iets gedwongen, uitgebuit of geïntimideerd om grip op ze te kunnen houden?
c Inclusie: Daarnaast zijn vereist pathologische persoonlijkheidstrekken uit alle volgende domeinen.
i Antagonisme, gekenmerkt door minstens één van de volgende eigenschappen.
► Manipulatief gedrag: Gebruikt u vaak uw charmes of weet u anderen voor iets te strikken om iets voor elkaar te krijgen? Geeft u anderen wel eens een valse voorstelling van zaken om invloed of grip op ze te krijgen?
► Leugenachtigheid: Schetst u wel eens een verkeerd beeld van uzelf door uzelf bepaalde prestaties of kwaliteiten toe te dichten die u helemaal niet heeft? Maakt u verhalen vaak mooier dan ze zijn en verzint u gebeurtenissen?
► Ongevoeligheid: Als u hoort dat iemand het moeilijk heeft of problemen ervaart, interesseert u dat dan meestal niet of vindt u het niet belangrijk? Als u hoort dat anderen gekwetst zijn door iets wat u heeft gedaan, voelt u zich dan achteraf schuldig? Vindt u het plezierig om iemand pijn te doen of te laten lijden?
► Vijandigheid: Bent u vaak of zelfs altijd boos? Wordt u geprikkeld of zelfs agressief als anderen geringschattend doen of u beledigen? Bent u vaak gemeen, hatelijk of wraakzuchtig?
ii Ongeremdheid, gekenmerkt door minstens één van de volgende eigenschappen.
► Onverantwoordelijk gedrag: Als u iets afspreekt of belooft, heeft u daar dan vaak geen boodschap aan en komt u uw verplichtingen niet na? Als u familiaire, financiële of andere verplichtingen heeft, negeert u deze dan vaak of komt u ze niet na?
► Impulsiviteit: Vindt u het vaak moeilijk om een plan te maken en dat uit te voeren? Gedraagt u zich vaak impulsief, zonder plan of vooraf na te denken over de consequenties?
► Riskant gedrag: Onderneemt u vaak gevaarlijke, risicovolle activiteiten waarbij u gewond kunt raken zonder over de gevolgen na te denken? Verveelt u zich snel en gaat u tegen die verveling dingen doen zonder erbij na te denken?
d Exclusies: Zie de Algemene criteria voor persoonlijkheidsstoornissen
e Aanvullende kenmerken: Zie de Algemene criteria voor persoonlijkheidsstoornissen, én:
i Specificaties
► Met de specificatie ‘met psychopathische kenmerken’: Van toepassing als iemand geen angst of vrees vertoont en een brutale, extreem doelgerichte interpersoonlijke stijl hanteert. Bij psychopathie wordt verhoudingsgewijs meer nadruk gelegd op affectieve en interpersoonlijke kenmerken en minder op de gedragscomponenten.
f Andere mogelijkheid: Zie de Algemene criteria voor persoonlijkheidsstoornissen
7 Narcistische-persoonlijkheidsstoornis
a Inclusie: Vereist zijn beperkingen in het functioneren van het zelf, zoals blijkt uit minstens één van de volgende problemen.
i Identiteit: Vergelijkt u zichzelf vaak met anderen om te bepalen wat u waard bent? Bent u afhankelijk van hoe anderen u zien en van de reactie van anderen om trots op uzelf te kunnen zijn? Merkt u dat uw emoties op en neer gaan in reactie op hoe u over de kwaliteit van uw leven denkt?
ii Zelfsturing: Vindt u het moeilijk om in te zien waarom u bepaalde beslissingen neemt of doelen voor uzelf stelt? Stelt u meestal doelen voor uzelf die gebaseerd zijn op wat anderen ervan zullen zien en vinden? Legt u de lat voor uzelf vaak heel erg hoog om te laten zien hoe uitzonderlijk u bent? Of, stelt u juist heel lage eisen aan uzelf om te laten zien dat u ergens recht op hebt, ongeacht wat u presteert?
b Inclusie: Daarnaast zijn vereist beperkingen in het interpersoonlijke functioneren, zoals blijkt uit minstens één van de volgende problemen.
i Empathie: Let u heel erg op hoe anderen op u reageren? Bent u vaak bezig met hoe u op anderen overkomt? Vindt u het moeilijk om de gevoelens en behoeften van anderen aan te voelen of u daarin in te leven?
ii Intimiteit: Merkt u in uw relatie met anderen dat u alleen interesse heeft in hen en wat zij meemaken voor zover dit voor uzelf en voor uw eigen leven betekenis heeft? Zijn uw meeste relaties terloops of oppervlakkig? Ziet u de relaties met anderen als een manier om uw gevoel van eigenwaarde in stand te houden?
c Inclusie: Daarnaast zijn pathologische persoonlijkheidstrekken uit dit domein vereist.
i Antagonisme, gekenmerkt door beide volgende eigenschappen.
► Grandiositeit: Heeft u recht op een bepaalde behandeling of verdient u deze, vanwege uw uitzonderlijke persoonlijke kwaliteiten? Vindt u dat u beter dan of superieur aan anderen bent? Gedraagt u zich vaak op een manier die anderen in een lagere positie stelt ten opzichte van u?
► Aandacht zoeken: Vindt u het heerlijk om in de schijnwerpers te staan? Merkt u dat u vaak aandacht of bewondering van anderen zoekt en naar zich toe trekt?
d Exclusies: Zie de Algemene criteria voor persoonlijkheidsstoornissen
e Aanvullende kenmerken: Zie de Algemene criteria voor persoonlijkheidsstoornissen
f Andere mogelijkheid: Zie de Algemene criteria voor persoonlijkheidsstoornissen