Dimensionale classificatie van persoonlijkheidsstoornissen
Abraham M. Nussbaum
De DSM-5 heeft twee verschillende methoden om persoonlijkheidstrekken en persoonlijkheidsstoornissen te classificeren. De eerste is een categoriale methode, een vertrouwde werkwijze voor clinici die aan de DSM-IV (en de DSM-IV-TR) gewend zijn. Deze categoriale methode is voor klinische toepassing opgenomen in het hoofdgedeelte van de DSM-5 (deel II). In de hoofdstukken 3 en 6 van deze gids is deze in het diagnostisch onderzoek geïncorporeerd. De tweede methode is een dimensionale en die zal voor de meeste clinici nieuw zijn. Het dimensionale model wordt aanbevolen voor onderzoeksdoeleinden, maar is in deel III van de DSM-5 als model in ontwikkeling opgenomen, en zou uiteindelijk het bekende categoriale model kunnen gaan vervangen. Om onszelf hierop te kunnen voorbereiden, leek het mij een goed idee om het dimensionale model in dit hoofdstuk te introduceren.
Het dimensionale model voor persoonlijkheidsstoornissen kan wel een introductie gebruiken omdat het op het eerste gezicht klinisch moeilijk toe te passen lijkt. De persoonlijkheidsstoornissen worden niet op basis van hun symptomen in cluster A, B en C ingedeeld, maar op basis van hun onderliggende persoonlijkheidstrekken. Zo kunt u bijvoorbeeld zonder afzonderlijke persoonlijkheidsstoornissen te beoordelen, bij iemand submissieve trekken waarnemen die aan de criteria voor een borderline-persoonlijkheidsstoornis voldoen, terwijl dezelfde trekken bij een andere patiënt aan de criteria voldoen voor een vermijdende-persoonlijkheidsstoornis. Dit heeft ertoe geleid dat sommige persoonlijkheidsstoornissen van het categoriale model niet in het dimensionale model zijn opgenomen. Met het dimensionale model kunt u meer doen dan alleen vaststellen of iemand wel (of niet) een persoonlijkheidsstoornis heeft, omdat u ermee kunt beoordelen in hoeverre een persoonlijkheidsstoornis samenhangt met functionele beperkingen in de relaties met anderen en in het zelfgevoel. Kort gezegd is het nadeel van het dimensionale model dat het ons nog niet bekend is, en het voordeel dat het ons veel gedetailleerdere informatie over iemands karakterstructuur kan opleveren.
In dit hoofdstuk heb ik drie instrumenten opgenomen om het dimensionale model voor persoonlijkheidsstoornissen te introduceren. Het eerste is de Niveaus van Persoonlijkheidsfunctioneren Schaal (NPFS), die ook in deel III van de DSM-5 is te vinden. Met deze schaal kunt u het niveau van de functionele beperkingen bepalen die samenhangen met de persoonlijkheidstrekken of persoonlijkheidsstoornissen die u beoordeelt. Het tweede instrument, de Beoordelingsschaal voor persoonlijkheidstrekken, is gebaseerd op de definities van domeinen en facetten van DSM-5-persoonlijkheidstrekken die eveneens in deel III van de DSM-5 zijn te vinden. Met behulp van deze lijst kunt u bepalen of de 25 persoonlijkheidstrekken die ten grondslag kunnen liggen aan een persoonlijkheidsstoornis aanwezig zijn en de ernst daarvan beoordelen. Voor het derde instrument, een gestructureerd diagnostisch interview, wordt gebruikgemaakt van de voorgestelde dimensionale criteria voor de persoonlijkheidsstoornissen in deel III van de DSM-5. Net als in de overige delen van deze gids, begint het interview met een screeningsvraag, met daarna vervolgvragen om een specifieke classificatie te kunnen vaststellen.