Wanneer een man wordt onderzocht op de hy­po­ac­tief­sek­su­eel­ver­lan­gen­stoor­nis, moet de in­ter­per­soon­lij­ke context worden meegewogen. Een ‘discrepantie in verlangen’ waarbij een man minder naar seksuele activiteit verlangt dan zijn partner, volstaat niet voor de classificatie hypoactief-sek­su­eel­ver­lan­gen­stoor­nis. Voor de classificatie van de stoornis is zowel een gering dan wel afwezig verlangen naar seks als te weinig dan wel afwezige seksuele gedachten of fantasieën vereist (criterium A). Mannen kunnen seksueel verlangen op verschillende manieren uiten.

Het gebrek aan verlangen naar seks en het tekort aan of de afwezigheid van erotische gedachten of fantasieën moeten aanhoudend aanwezig of recidiverend zijn, en minstens ongeveer zes maanden duren. Het duurcriterium is bedoeld om te voorkomen dat er een classificatie wordt toegekend bij een man van wie het geringe seksuele verlangen in werkelijkheid een reactieve maar tijdelijke respons is op ongunstige le­vens­om­stan­dig­he­den. Het geringe seksuele verlangen van een man kan bijvoorbeeld verband houden met een acute stressor of het verlies van eigenwaarde (bijvoorbeeld ontslagen worden of financiële problemen ervaren, zoals na een be­drijfs­fail­lis­se­ment). Als deze stressoren langer dan zes maanden blijven bestaan en gepaard gaan met een gering seksueel verlangen, moet de clinicus op basis van een klinisch oordeel bepalen of de classificatie hypoactief-sek­su­eel­ver­lan­gen­stoor­nis bij de man passend is.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.