Criterium A: Niveau van persoonlijkheidsfunctioneren Stoornissen van het zelf en in het interpersoonlijke functioneren vormen de kern van de persoonlijkheidspathologie, en in dit alternatieve model worden deze beoordeeld op een continuüm. Het functioneren van het zelf omvat identiteit en zelfsturing; het interpersoonlijke functioneren omvat empathie en intimiteit (zie tabel 1). De Niveaus van Persoonlijkheidsfunctioneren Schaal (NPFS; zie tabel 2) gebruikt elk van deze elementen om te differentiëren tussen vijf niveaus van beperkingen, variërend van geen of minimale beperkingen (bijvoorbeeld gezond, adaptief functioneren: niveau 0) tot geringe (niveau 1), matige (niveau 2), ernstige (niveau 3) en extreme beperkingen (niveau 4).
Beperkingen in het persoonlijkheidsfunctioneren wijzen op het bestaan van een persoonlijkheidsstoornis, en de ernst van de beperkingen geeft aanwijzingen voor hetzij meerdere persoonlijkheidsstoornissen bij één persoon, hetzij één specifieke ernstige persoonlijkheidsstoornis. Een matige beperking in het persoonlijkheidsfunctioneren is minimaal vereist om een classificatie persoonlijkheidsstoornis te kunnen toekennen; deze drempelwaarde is gebaseerd op empirische aanwijzingen dat clinici bij een matige beperking optimaal in staat zijn om accuraat en efficiënt de pathologie van persoonlijkheidsstoornissen vast te stellen.
TABEL 1
Elementen van persoonlijkheidsfunctioneren
Zelf | Interpersoonlijk |
1Identiteit Zichzelf als uniek ervaren, duidelijk begrensd tegenover anderen; een stabiel gevoel van eigenwaarde met gepast zelfbeeld; het vermogen om een palet aan emoties te ervaren en te reguleren. | 1Empathie Begrip en waardering voor andermans ervaringen en drijfveren; het vermogen om uiteenlopende gezichtspunten te tolereren; inzicht in het effect van het eigen gedrag op anderen. |
2Zelfsturing Nastreven van samenhangende en betekenisvolle doelen op korte en langere termijn; het gebruik van constructieve en prosociale persoonlijke maatstaven voor gedrag; het vermogen tot effectieve zelfreflectie. | 2Intimiteit Diepe en duurzame positieve verbondenheid met anderen; de wens en het vermogen tot intimiteit; wederkerig en respectvol interpersoonlijk gedrag. |