Criteria C en D: Pervasief en stabiel Beperkingen in het persoonlijkheidsfunctioneren en pathologische persoonlijkheidstrekken zijn relatief pervasief aanwezig, in een breed scala van persoonlijke en sociale contexten, waarbij persoonlijkheid wordt omschreven als een patroon van de omgeving en zichzelf waarnemen, omgaan met de omgeving en zichzelf, en over de omgeving en zichzelf nadenken. De term ‘relatief’ verwijst hier naar het feit dat alle persoonlijkheden, behalve de allerextreemste pathologische, tot op zekere hoogte ook adaptief gedrag vertonen. Het patroon bij persoonlijkheidsstoornissen is echter maladaptief en relatief inflexibel, hetgeen leidt tot beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen, doordat betrokkenen niet in staat zijn hun denken of gedrag aan te passen, zelfs indien duidelijk is geworden dat hun aanpak niet werkt. De beperkingen in het functioneren en de persoonlijkheidstrekken zijn ook relatief stabiel. Persoonlijkheidstrekken — de dispositie om op een bepaalde wijze te voelen of te handelen — vertonen meer stabiliteit dan de symptomatische uitingen van deze disposities, maar ook persoonlijkheidstrekken kunnen veranderen. Evenzo vertonen de beperkingen in persoonlijkheidsfunctioneren meer stabiliteit dan symptomen.