De hoofdkenmerken van een persoonlijkheidsstoornis zijn:
A Matige of ernstigere beperkingen in het persoonlijkheidsfunctioneren (zelf/interpersoonlijk).
B Een of meer pathologische persoonlijkheidstrekken.
C De beperkingen in het persoonlijkheidsfunctioneren en de uitingen van de persoonlijkheidstrekken van de betrokkene zijn relatief inflexibel en pervasief aanwezig in een breed scala van persoonlijke en sociale situaties.
D De beperkingen in het persoonlijkheidsfunctioneren en de uitingen van de persoonlijkheidstrekken van de betrokkene zijn relatief stabiel in de tijd, met een aanvang die kan worden herleid tot op zijn laatst de adolescentie of de jongvolwassen leeftijd.
E De beperkingen in het persoonlijkheidsfunctioneren en de uitingen van de persoonlijkheidstrekken van de betrokkene kunnen niet beter worden verklaard door een andere psychische stoornis.
F De beperkingen in het persoonlijkheidsfunctioneren en de uitingen van de persoonlijkheidstrekken van de betrokkene kunnen niet uitsluitend worden toegeschreven aan het fysiologische effect van een middel of aan een somatische aandoening (bijvoorbeeld ernstig hersenletsel).
G De beperkingen in het persoonlijkheidsfunctioneren en de uitingen van de persoonlijkheidstrekken van de betrokkene kunnen niet beter worden begrepen als normaal voor de ontwikkelingsfase of de sociaal-culturele achtergrond van de betrokkene.
De classificatie van een persoonlijkheidsstoornis vereist dat twee zaken worden vastgesteld: (1) de mate van beperkingen in het persoonlijkheidsfunctioneren die noodzakelijk is voor criterium A, en (2) de pathologische persoonlijkheidstrekken die vereist zijn voor criterium B. De beperkingen in het persoonlijkheidsfunctioneren en de uitingen van de persoonlijkheidstrekken zijn relatief inflexibel en relatief pervasief aanwezig in een breed scala van persoonlijke en sociale situaties (criterium C); zijn relatief stabiel in de tijd, met een aanvang die teruggevoerd kan worden tot op zijn laatst de adolescentie of de vroege volwassenheid (criterium D); kunnen niet beter worden verklaard door een andere psychische stoornis (criterium E); kunnen niet worden toegeschreven aan de effecten van een middel of aan een somatische aandoening (criterium F); en kunnen niet beter worden verklaard als normaal voor de ontwikkelingsfase of de sociaal-culturele achtergrond van de betrokkene (criterium G). Alle hier in deel III met criteria beschreven persoonlijkheidsstoornissen, alsmede de trekgespecificeerde persoonlijkheidsstoornis, voldoen per definitie aan deze algemene criteria.