De naam van de obsessieve-compulsieve of verwante stoornis door een middel/medicatie begint met ‘obsessieve-compulsieve of verwante stoornis door’, gevolgd door de naam van het specifieke middel (bijvoorbeeld cocaïne) waarvan wordt verondersteld dat het de symptomen van de ob­ses­sie­ve­com­pul­sie­ve of verwante stoornis veroorzaakt. De code wordt geselecteerd uit de tabel bij de lijst met criteria, en is gebaseerd op de klasse van het middel. Voor middelen die niet passen in een van deze klassen (zoals ropinirol) moet de code voor ‘een ander (of onbekend) middel’ worden gekozen. En in gevallen waarin wordt geoordeeld dat het gebruik van een middel een etiologische factor is, maar de specifieke klasse van het middel onbekend is, moet dezelfde code worden geselecteerd.

Achter de naam van het middel staat de specificatie over het begin (‘met begin tijdens intoxicatie’, ‘met begin tijdens onttrekking’, ‘met begin na me­di­ca­tie­ge­bruik’). In de ICD-10 wordt aan de stoornis in het gebruik van een middel een aparte code toegekend. Stel bijvoorbeeld dat een man met een ernstige stoornis in het gebruik van cocaïne tijdens de intoxicatie repetitief huidpulkgedrag vertoont, dan is de classificatie: F14.8 obsessieve-compulsieve of verwante stoornis door cocaïne, met begin tijdens intoxicatie. Daarnaast wordt de classificatie F14.2 ernstige stoornis in het gebruik van cocaïne toegekend. Wanneer wordt geoordeeld dat meer dan één middel een belangrijke rol heeft gespeeld bij de ontwikkeling van de ob­ses­sie­ve­com­pul­sie­ve of verwante stoornis, dient elk middel apart te worden vermeld.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.