Chronische somatische aandoeningen die gepaard gaan met pijn en invaliditeit Chronische somatische aandoeningen die met pijn en invaliditeit gepaard gaan, kunnen ook per­soon­lijk­heids­ver­an­de­rin­gen veroorzaken. De classificatie per­soon­lijk­heids­ver­an­de­ring door een somatische aandoening wordt alleen dan toegekend als de aanwezigheid van een pa­tho­fy­si­o­lo­gisch mechanisme met een directe invloed kan worden vastgesteld. Deze classificatie wordt niet toegekend als de verandering het gevolg is van een gedragsmatige of psychologische aanpassing aan of een reactie op een somatische aandoening (bijvoorbeeld: afhankelijk gedrag dat het gevolg is van de behoefte aan hulp van anderen na een ernstig schedeltrauma, een car­di­o­vas­cu­lai­re aandoening, of dementie).

Delirium of uitgebreide neurocognitieve stoornis Een delirium of een uitgebreide neurocognitieve stoornis gaat vaak gepaard met een per­soon­lijk­heids­ver­an­de­ring. Een aparte classificatie per­soon­lijk­heids­ver­an­de­ring door een somatische aandoening wordt niet toegekend als de verandering alleen tijdens het beloop van een delirium optreedt. Wel kan de classificatie per­soon­lijk­heids­ver­an­de­ring door een somatische aandoening worden toegekend naast de classificatie uitgebreide neurocognitieve stoornis als de per­soon­lijk­heids­ver­an­de­ring wordt beschouwd als een fysiologisch gevolg van het pathologische proces dat de neurocognitieve stoornis veroorzaakt, en als de per­soon­lijk­heids­ver­an­de­ring een prominent onderdeel van het klinische beeld is.

Andere psychische stoornis door een somatische aandoening De classificatie per­soon­lijk­heids­stoor­nis door een somatische aandoening wordt niet toegekend als de symptomen beter worden verklaard door een andere psychische stoornis die het gevolg is van een somatische aandoening (zoals een depressieve-stem­mings­stoor­nis door een hersentumor).

Stoornissen in het gebruik van een middel Per­soon­lijk­heids­ver­an­de­rin­gen kunnen ook optreden binnen de context van stoornissen in het gebruik van een middel, vooral als een dergelijke stoornis al langere tijd bestaat. De clinicus moet dan ook zorgvuldig aandacht besteden aan welke middelen de betrokkene gebruikt en in welke mate. Als de clinicus wil vermelden dat er een etiologische relatie bestaat tussen de per­soon­lijk­heids­ver­an­de­ring en het middelengebruik, kan de ‘andere gespecificeerde’ categorie voor het specifieke middel worden gebruikt (bijvoorbeeld: andere gespecificeerde sti­mu­lan­ti­um­ge­re­la­teer­de stoornis met per­soon­lijk­heids­ver­an­de­ring).

Andere psychische stoornissen Duidelijke per­soon­lijk­heids­ver­an­de­rin­gen kunnen ook optreden als een bijkomend kenmerk van andere psychische stoornissen (zoals schizofrenie; een waanstoornis; depressieve- en bipolaire-stem­mings­stoor­nis­sen; een andere gespecificeerde of on­ge­spe­ci­fi­ceer­de disruptieve, im­puls­be­heer­sings­of andere gedragsstoornis; de paniekstoornis). Bij deze stoornissen is er echter geen sprake van een specifieke fysiologische factor die met het ontstaan van de per­soon­lijk­heids­ver­an­de­ring in verband kan worden gebracht.

Andere per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen Een per­soon­lijk­heids­ver­an­de­ring door een somatische aandoening is te onderscheiden van een andere per­soon­lijk­heids­stoor­nis door het criterium dat er sprake moet zijn van een klinisch significante verandering vergeleken met het aanvankelijke functioneren van de persoonlijkheid en door de aanwezigheid van een specifieke etiologische somatische aandoening.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.