Het hoofdkenmerk van een persoonlijkheidsverandering door een somatische aandoening is een persisterende verandering in de persoonlijkheid die wordt beschouwd als een fysiologisch gevolg van een somatische aandoening. Deze stoornis van de persoonlijkheid impliceert een verandering vergeleken met het voor de betrokkene karakteristieke persoonlijkheidspatroon van daarvoor. Bij kinderen kan deze stoornis meer tot uiting komen als een opvallend afwijkende ontwikkeling dan als een verandering in een tot dan toe stabiel persoonlijkheidspatroon (criterium A). Uit de anamnese of uit lichamelijk onderzoek of laboratoriumuitslagen moet zijn gebleken dat de persoonlijkheidsverandering het directe fysiologische gevolg is van een somatische aandoening (criterium B). De classificatie wordt niet gegeven indien de verandering beter kan worden verklaard door een andere psychische stoornis (criterium C). De classificatie wordt ook niet toegekend als de stoornis alleen optreedt tijdens het beloop van een delirium (criterium D). Verder moet de stoornis klinisch significante lijdensdruk of beperkingen veroorzaken in het functioneren op sociaal, beroepsmatig of een ander belangrijk terrein (criterium E).
Veelvoorkomende uitingen van een persoonlijkheidsverandering zijn: affectieve labiliteit; een geringe impulsbeheersing; uitbarstingen van agressie of razernij die in geen enkele verhouding staan tot de enige luxerende psychosociale stressor; duidelijke apathie; achterdocht; of paranoïde denkbeelden. De fenomenologie van de verandering wordt weergegeven met behulp van de in de lijst met criteria vermelde subtypen. Iemand met deze stoornis wordt door anderen vaak gekenschetst als ‘niet zichzelf’. De stoornis heeft de aanduiding ‘persoonlijkheids-’ gemeen met de andere persoonlijkheidsstoornissen, maar onderscheidt zich door de specifieke etiologie, de andere fenomenologie en het meer wisselende ontstaan en beloop ervan.
Het klinische beeld bij een bepaalde persoon kan afhangen van de aard en de locatie van het ziekteproces. Beschadiging van de frontale hersenkwabben kan bijvoorbeeld symptomen veroorzaken als een gebrekkig oordeelsvermogen of slecht kunnen anticiperen, Witzelsucht (het voortdurend maken van ongepaste grappen), ontremming en euforie. In dit voorbeeld moet de classificatie persoonlijkheidsverandering door laesie van de frontale kwab worden toegekend als de aanhoudende verandering van de persoonlijkheid afwijkt van het kenmerkende persoonlijkheidspatroon dat de betrokkene had voorafgaand aan het letsel (criterium A). Van beroertes in de rechterhersenhelft is al vaak aangetoond dat ze persoonlijkheidsveranderingen veroorzaken die samenhangen met een eenzijdig ruimtelijk neglect, anosognosie (het onvermogen van de betrokkene om een lichamelijk tekort of functietekort bij zichzelf te onderkennen, zoals het bestaan van een halfzijdige verlamming), motorische impersistentie (het onvermogen een handeling vol te houden) en andere neurologische uitvalsverschijnselen.