Het ont­trek­kings­syn­droom van een ander (of onbekend) middel is een klinisch significant syndroom dat zich ontwikkelt tijdens, of binnen enkele uren tot dagen na het staken of verminderen van een middel (criteria A en B). Hoewel een recente dosisverlaging of staking meestal uit de anamnese blijkt, zijn andere diagnostische procedures lastig indien het (genees)-middel niet bekend is. Volgens criterium B moet zich een ‘middelspecifiek syndroom’ ontwikkelen (de klachten en verschijnselen van de betrokkene moeten corresponderen met het bekende ont­trek­kings­syn­droom van het onlangs gestaakte middel), maar als het middel niet bekend is, kan aan dat criterium maar zelden worden voldaan. Daarom moet een klinische beoordeling leidend zijn in de beslissing bij beperkte informatie. Volgens criterium D moeten andere somatische aandoeningen, psychische stoornissen en ont­trek­kings­syn­dro­men van bekende middelen zijn uitgesloten. Gaat het om een bekend middel, dan moet dat bij de registratie in de naam van de stoornis worden vermeld (bijvoorbeeld ‘ont­trek­kings­syn­droom van betelnoot’).

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.