Verscheidene bijkomende kenmerken kunnen de classificatie functioneel-neurologisch-symptoomstoornis ondersteunen, hoewel geen van deze specifiek zijn. Uit de anamnese kan naar voren komen dat de betrokkene al eerder functionele somatische symptomen of stoornissen heeft gehad, waarbij vooral pijn en vermoeidheid een rol speelden. Het ontstaan van de symptomen kan samenhangen met stress of een trauma, dat psychisch of fysiek kan zijn. De indruk dat stress of een trauma mogelijk etiologisch relevant is, kan worden bevestigd doordat er een duidelijk chronologisch verband is. Hoewel het belangrijk is om te onderzoeken of er sprake is van stress of een trauma, blijft dit onderzoek bij maximaal 50% van de betrokkenen achterwege en kan de classificatie functioneel-neurologisch-symptoomstoornis ook worden toegekend als er geen stress of trauma is aangetoond.
De functioneel-neurologisch-symptoomstoornis gaat vaak gepaard met dissociatieve symptomen zoals depersonalisatie, derealisatie en dissociatieve amnesie, die vooral optreden in de periode waarin de symptomen voor het eerst optreden, of tijdens aanvallen.
Het verschijnsel la belle indifférence (waarbij de betrokkene zich niet druk maakt om het symptoom of de gevolgen daarvan) is in verband gebracht met de functioneel-neurologisch-symptoomstoornis, maar is hiervoor niet specifiek en moet niet worden gebruikt als een classificatiecriterium. Hetzelfde geldt voor het begrip ‘secundaire ziektewinst’ (waarbij mensen externe voordelen van hun symptomen hebben, bijvoorbeeld in de vorm van geld of doordat ze ontslagen worden van verantwoordelijkheden). Ook dit is niet specifiek voor de functioneel-neurologischsymptoomstoornis.