Iemand met een functioneel-neurologisch-symp­toom­stoor­nis (con­ver­sie­stoor­nis) kan één neurologisch symptoom hebben, of meerdere neurologische symptomen van verschillende typen. De motorische symptomen kunnen bestaan uit zwakte of paralyse; abnormale bewegingen, zoals tremoren, schokken of dystonie; en loopstoornissen. Sensorische symptomen houden in dat de tast- of pijnzin, het ge­zichts­ver­mo­gen of het gehoor is veranderd, verminderd of uitgevallen. Episoden met een schijnbaar gebrek aan responsiviteit en met of zonder bewegingen van de ledematen kunnen lijken op een epileptische aanval, syncope of coma (en worden ook wel dissociatieve, psychogene of pseudo-epileptische aanvallen genoemd). Andere mogelijke symptomen zijn een afgezwakt of geheel afwezig stemvolume (dysfonie of afonie), veranderingen in de articulatie van de spraak, prosodie of spraak­vloei­end­heid, het gevoel een brok in de keel te hebben (globus) en dubbelzien (diplopie). Deze stoornis wordt in voorgaande edities van de DSM en in veel van de psychiatrische on­der­zoeks­li­te­ra­tuur ‘con­ver­sie­stoor­nis’ genoemd. De term ‘conversie’ is ontstaan in de psy­cho­a­na­ly­ti­sche theorie, die stelt dat onbewuste psychische conflicten naar lichamelijke klachten worden ‘geconverteerd’ (omgezet).

De classificatie berust op klinische bevindingen waaruit blijkt dat de symptomen incompatibel zijn met een erkende neurologische ziekte. Het onderzoek wordt meestal uitgevoerd door een clinicus met expertise in de diagnostiek van neurologische aandoeningen, die de bevindingen kan interpreteren in de context van het volledige klinische beeld. De classificatie berust niet op uit­slui­tings­cri­te­ria en kan ook worden toegekend bij mensen met een neurologische aandoening zoals epilepsie of multiple sclerose. De stoornis moet niet worden vastgesteld uitsluitend omdat onderzoek geen afwijkingen oplevert, of omdat het symptoom ‘bizar’ zou zijn. Een manier om de in­com­pa­ti­bi­li­teit van symptomen aan te tonen is het opsporen van interne inconsistenties tijdens het onderzoek (bijvoorbeeld aantonen dat lichamelijke reacties die wel optreden bij de ene on­der­zoeks­me­tho­de, geen positief resultaat meer opleveren wanneer een andere on­der­zoeks­me­tho­de wordt gebruikt). Er zijn tientallen voorbeelden van dergelijke ‘positieve’ on­der­zoeks­be­vin­din­gen. Voorbeelden van bevindingen die wijzen op in­com­pa­ti­bi­li­teit met erkende neurologische aandoeningen zijn:

Voor functionele zwakte van de ledematen of paralyse: het teken van Hoover, waarbij zwakte van de heupextensie bij contralaterale heupflexie tegen weerstand verandert in de normale kracht; het heu­pab­duc­tor­te­ken, waarbij zwakte van de dijbeenabductie bij contralaterale heupabductie tegen weerstand verandert in de normale kracht; of een discrepantie tussen hoe iemand liggend op bed bewegingen maakt (bijvoorbeeld bij zwakte van de plantaire flexie van de enkel) in vergelijking met een andere taak (bijvoorbeeld op de tenen lopen).

Voor functionele tremoren: de tremor-afleidingstest, waarbij de tremor verandert op het moment dat de betrokkene wordt afgeleid doordat hij of zij de onderzoeker moet volgen in het maken van een ritmische beweging met de contralaterale hand of voet. De test is positief wanneer de tremor het ritme van de niet-aangetaste hand of voet nadoet of erin ‘meeloopt’, wanneer de tremor erdoor wordt onderdrukt, of wanneer de persoon in kwestie geen eenvoudige ritmische bewegingen kan nadoen. Andere kenmerken van functionele tremoren van de ledematen zijn variabiliteit in de frequentie of richting van de tremor.

Voor functionele dystonie: mensen presenteren zich meestal met een vaste omgekeerde positie van de enkel, een gebalde vuist of een eenzijdige samentrekking van de platysma, vaak met een plotseling begin.

Voor aanvallen die lijken op epileptische aanvallen of syncope (ook wel functionele of dissociatieve (pseudo-epileptische) aanvallen genoemd): kenmerken die wijzen op de functioneel-neurologisch-symp­toom­stoor­nis zijn het aanhoudend sluiten van de ogen, soms met weerstand om die te openen, bilaterale motorische bewegingen met behoud van bewustzijn, of een duur langer dan 5 minuten. Klinische kenmerken moeten meestal worden gecombineerd en kunnen worden ondersteund door een normaal, gelijktijdig ictaal elektro-encefalogram (hoewel dit verschijnsel op zichzelf nog niet alle vormen van epilepsie of syncope uitsluit).

Voor functionele spraaksymptomen: interne inconsistenties in de spraak­ar­ti­cu­la­tie en fonatie.

Voor functionele visuele symptomen: een tubulair gezichtsveld (kokerzien) en tests die wijzen op interne inconsistenties in de ge­zichts­scherp­te, zoals de fogging-techniek (terwijl de betrokkene de oogkaart met beide ogen open bekijkt, wordt de visus van het ‘goede’ oog op subtiele wijze met een lens verslechterd, en blijkt de visus van het ‘slechte’ oog goed te zijn).

Het is belangrijk om op te merken dat de classificatie functioneel-neu­ro­lo­gischsymp­toom­stoor­nis op het gehele klinische beeld gebaseerd moet zijn, en niet op één enkele klinische bevinding.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.