Het bepalende kenmerk van een intoxicatie door een ander (of onbekend) middel is de aanwezigheid van klinisch significante veranderingen van het gedrag of het psychische functioneren die zich ontwikkelen tijdens of direct na het gebruik van ofwel (a) een middel dat niet valt onder een van de negen andere klassen behandeld in dit hoofdstuk (alcohol; cafeïne; cannabis; fencyclidine en andere hallucinogenen; inhalantia; opioïden; hypnotica en anxiolytica; stimulantia; of tabak) ofwel (b) een onbekend middel. Als het middel bekend is, moet het bij de registratie worden vermeld in de naam van de stoornis (bijvoorbeeld ‘intoxicatie door kawa’).
Het kan lastig zijn om de criteria voor een intoxicatie door een ander (of onbekend) middel toe te passen. Volgens criterium A moet zich een reversibel ‘middelspecifiek syndroom’ ontwikkelen, maar als het middel niet bekend is, is meestal ook dat syndroom niet bekend. Om dit te verhelpen kan de betrokkene bevraagd worden, of er kan aanvullende anamnestische informatie worden verkregen over de vraag of de betrokkene al eerder een soortgelijke episode heeft doorgemaakt na gebruik van middelen die in ‘straattaal’ dezelfde naam hebben of die van dezelfde bron afkomstig zijn. Ook kan het zo zijn dat een ziekenhuisafdeling een aantal dagen lang meerdere patiënten krijgt met hetzelfde ernstige, niet-bekende intoxicatiesyndroom door een nieuw op de markt gekomen, tot dusver onbekend middel. Vanwege de grote variëteit aan intoxicerende middelen kan criterium B enkel brede voorbeelden opleveren van de klachten en verschijnselen van een aantal intoxicaties, zonder een drempelwaarde voor het aantal symptomen dat voor een classificatie vereist is; deze beslissing moet plaatsvinden op basis van een klinische beoordeling. Volgens criterium C moeten andere somatische aandoeningen, psychische stoornissen of intoxicaties worden uitgesloten.