Gebruik de code die van toepassing is op de klasse middelen, maar registreer ook de naam van het specifieke middel. Registreer bijvoorbeeld F13.2 matige stoornis in het gebruik van alprazolam (in plaats van: matige stoornis in het gebruik van een hypnoticum of anxiolyticum) of F15.1 lichte stoornis in het gebruik van methamfetamine (in plaats van: lichte stoornis in het gebruik van een stimulantium). Voor middelen die niet in een van de klassen vallen (zoals anabole steroïden), moet de code voor ‘een ander (of onbekend) middel’ worden gebruikt en moet het specifieke middel worden vermeld (bijvoorbeeld: F19.1 lichte stoornis in het gebruik van anabole steroïden). Wanneer niet bekend is welk middel de betrokkene heeft gebruikt, dient dezelfde code te worden gebruikt (bijvoorbeeld: F19.1 lichte stoornis in het gebruik van een onbekend middel). Wanneer aan de criteria voor meer dan één stoornis in het gebruik van een middel wordt voldaan, dient elke classificatie te worden toegekend (bijvoorbeeld: F11.2 ernstige stoornis in het gebruik van heroïne; F14.2 matige stoornis in het gebruik van cocaïne).