Dissociaties
Roberto Lewis-Fernández, MD
Luca Zanoni, een 33-jarige Curaçaose vrouw, wordt bij de spoedeisende hulp (SEH) binnengebracht nadat zij in radeloosheid een poging heeft gedaan om een bleekmiddel te drinken.
Patiënte, die geen psychiatrische voorgeschiedenis heeft, leek het ogenschijnlijk goed te gaan, tot haar verloofde de dag voor het incident tijdens een zakenreis in Curaçao werd vermoord. Volgens haar familie reageerde mevrouw Zanoni in eerste instantie ongewoon kalm. Haar bezorgde familie hield haar tactvol urenlang in haar kleine flatje in de gaten. Ze zweeg, maar ging in de weer met steeds dezelfde onnodige taken als kleding opvouwen en weer uitvouwen.
Toen ze die middag bij de wasmachine stond, schreeuwde ze het plotseling uit, greep naar een fles bleekmiddel en probeerde ervan te drinken. Haar broer sloeg de fles weg. Zij liet zich daarna met schokkende bewegingen, schreeuwend en huilend op de grond vallen. Deze episode duurde slechts een paar seconden, daarna bleef ze een paar minuten ‘voor dood liggen’. Volgens de familie was er geen sprake van tonisch-klonische bewegingen, bijten op de tong of verlies van sfinctercontrole. Toen de ambulance arriveerde, huilde mevrouw Zanoni zachtjes, bleef ze almaar de naam van haar verloofde herhalen, en reageerde ze over het algemeen niet op vragen. Nadat het SEH-personeel de lichte brandwonden aan haar lippen behandelde, werd ze gezien door een psychiater.
In de daaropvolgende uren begon mevrouw Zanoni iets meer te reageren. Bij het psychiatrisch onderzoek vertelt ze dat zij door het nieuws over de dood van haar verloofde volledig verdoofd was geraakt (gevoelloos was geworden) en zij beschrijft daarbij een gevoel losgekoppeld te zijn van haar lichaam, haar emoties en haar omgeving. Deze klachten waren er op de SEH-afdeling ook nog, maar in de uren daarna namen ze af. Ze beschrijft ook dat zij zich niet kan herinneren wat er gebeurd is toen ze het uitschreeuwde en dat alles ‘donker’ werd, totdat ze daarna weer ‘wakker werd’ in de SEH.
Tijdens haar 24 uur durende observatie heeft mevrouw Zanoni nog twee episoden waarin zij plotseling geagiteerd raakt, huilt en schreeuwt, waarbij zij probeert zich in het gezicht te krabben en de kamer wil verlaten. Omdat zij goed reageert op verbale interventie en geruststellend lichamelijk contact, zijn medicatie of fixatie niet nodig, maar ze blijft onder een-op-eenbegeleiding. De laboratoriumuitslagen laten geen bijzonderheden zien.
Bij het onderzoek huilt ze zachtjes, is haar stemming somber, meldt ze depersonalisatie- en derealisatieklachten, en kan ze zich niets herinneren van haar suïcidepoging. Ze is georiënteerd in tijd, plaats en persoon, heeft geen psychotische symptomen en ontkent nog actuele suïcidegedachten te hebben.
Mevrouw Zanoni wordt voor nadere observatie overgeplaatst naar de paaz. Aanvankelijk heeft ze moeite om in slaap te komen, en heeft ze last van sombere, beangstigende dromen over haar verloofde. Ze zegt zich niets te kunnen herinneren van de uren die voorafgingen aan haar poging om het bleekmiddel te drinken. Ze doet haar best om niet aan haar verloofde te denken, en krijgt intrusieve herinneringen aan hun tijd samen, maar voldoet op geen moment volledig aan de DSM-5-criteria voor de acute stressstoornis of depressieve stoornis. Na een week zijn haar symptomen significant verminderd. Tijdens haar verblijf in het ziekenhuis krijgt ze geen medicatie en na tien dagen wordt zij ontslagen en verwezen naar de poliklinische nabehandeling. Een maand later keert ze nog een keer terug voor een afspraak waarbij zowel zijzelf als haar familie vindt dat ze zich nog geregeld somber voelt over de dood van haar verloofde, maar over het algemeen weer in haar normale doen is. Daarna is ze niet meer op de polikliniek verschenen.