Verdrietig en alleen
Richard J. Loewenstein, MD
Irma Udenhoudt is een 29-jarige leerkracht in het speciaal onderwijs die psychiatrische hulp zoekt ‘omdat ik het zat ben om altijd maar verdrietig en alleen te zijn’.
Patiënte vertelt dat zij aan chronische ernstige depressiviteit lijdt, die niet heeft gereageerd op meerdere antidepressiva en ook niet op een verhoogde dosis van een stemmingsstabilisator. Volgens haar heeft ze meer baat bij psychotherapie die is gebaseerd op cognitieve gedragstherapie en dialectische gedragstherapie. Het voorstel om elektroconvulsietherapie toe te passen heeft zij afgewezen. Zij is tweemaal opgenomen geweest wegens suïcidegedachten en omdat zij zichzelf ernstige snijwonden had toegebracht die moesten worden gehecht.
Mevrouw Udenhoudt vertelt dat eerdere therapeuten de mogelijkheid van een psychotrauma hadden willen onderzoeken, maar de mogelijkheid dat zij ooit zou zijn misbruikt wuift ze weg. Het was juist haar jongere zusje die had gezegd dat zij ‘op een vreemde seksuele manier’ door hun vader was betast, toen patiënte 13 jaar oud was. Er is nooit een politieonderzoek ingesteld, maar haar vader heeft zich tegenover patiënte en haar zusje verontschuldigd op instigatie van de kerk, nadat hij opgenomen was geweest voor een behandeling voor alcohol- en seksverslaving. Zij ontkent hierover nog nare gevoelens te hebben en zegt: ‘Hij heeft het probleem aangepakt. Ik heb geen reden om kwaad op hem te zijn.’
Mevrouw Udenhoudt zegt dat zij zich maar weinig kan herinneren van wat er tussen de leeftijd van 7 en 13 jaar in haar leven is gebeurd. Haar brussen plagen haar daar weleens mee, omdat zij zich geen enkele gezinsvakantie, schoolevenement of vakantiereis kan herinneren. Haar verklaring voor de amnesie is: ‘Misschien is er gewoon niks belangrijks gebeurd en kan ik me daarom ook niets herinneren.’
Ze zegt met beide ouders een ‘goede’ relatie te hebben. Haar vader is altijd ‘overheersend’ voor haar moeder gebleven en was soms wel ‘boos’, maar hij heeft zestien jaar lang geen alcohol meer gedronken. Na doorvragen vertelt patiënte dat haar zelfbeschadigende en suïcidale gedrag vooral optreedt na een familiebezoek of wanneer haar ouders onverwacht op bezoek zijn geweest.
Mevrouw Udenhoudt omschrijft zichzelf als ‘sociaal teruggetrokken’ tot haar middelbareschoolperiode; toen behaalde ze goede resultaten en werd ze lid van verschillende clubs en verenigingen. Ze deed het ook prima tijdens haar studie. Ze blinkt uit in haar werk en wordt gezien als een talentvolle leerkracht voor autistische kinderen. Ze beschrijft verschillende jarenlange vriendschappen. Ze zegt moeite te hebben met intimiteit met mannen, waarbij ze intens bang is en walging voelt bij iedere poging tot een seksuele toenadering. Als er al sprake is van seksuele omgang met een man, voelt ze intense schaamte en heeft ze het gevoel dat ze ‘niet deugt’, maar soms voelt ze zich ook onwaardig op andere momenten. Ze slaapt slecht en voelt zich vaak moe.
Ze zegt nooit alcohol of drugs te hebben gebruikt en vertelt dat alleen al de geur van alcohol haar vreselijk misselijk kan maken en haar buikpijn bezorgt.
Bij het psychiatrisch onderzoek ziet de patiënte er verzorgd uit en is zij coöperatief. Haar antwoorden op de vragen zijn adequaat, maar ontberen vaak een emotionele inhoud. Bewustzijn en aandacht zijn intact, maar subjectief kan zij zich moeilijk concentreren, al heeft zij op haar werk wel ‘hyperfocus’. Ze zegt dat zij hevige schrikreacties heeft. Er zijn geen neurocognitieve stoornissen (niet getest). Patiënte antwoordt ontkennend op gerichtere vragen naar aanhoudende amnesie voor het dagelijkse leven, en met name naar iemand die iets over haar gedrag heeft gezegd dat zij zich niet kon herinneren; onverklaarbare eigendommen, het subjectieve gevoel een stukje tijd te missen, fugue-episoden of onverklaarbare fluctuaties in haar vaardigheden, gewoonten en/of kennis. Zij herkent niet het gevoel dat haar persoonlijkheid is gefragmenteerd. Evenmin heeft zij hallucinaties, innerlijke stemmen of ervaringen van beïnvloeding. Zij heeft geen flashbacks of zich opdringende herinneringen, maar vertelt dat zij terugkerende nachtmerries heeft waarin zij wordt achternagezeten door een ‘gevaarlijke man’ aan wie ze niet kan ontsnappen. Ze vertelt veelvuldig te tellen en te zingen in haar hoofd, vaak te controleren of de deur op slot is, en een dwang te hebben om dingen te ordenen, om te voorkomen dat ‘mij kwaad geschiedt’.
Zij maakt een verdrietige en geremde indruk. Zij beschrijft zichzelf als ‘verdoofd’. Zij heeft geen actuele plannen om zich van het leven te beroven. Gedachten aan suïcide zijn echter ‘nooit ver weg’.