Insulten

    Jason P. Caplan, MD; Theodore A. Stern, MD

    Paula Daams is een 32-jarige alleenstaande vrouw van Surinaamse afkomst met epilepsie, die voor het eerst in haar tienertijd is ge­di­a­gnos­ti­ceerd. Ze is niet bekend met een psychiatrische voor­ge­schie­de­nis. Ze is opgenomen in een academisch ziekenhuis nadat haar ouders haar in haar slaapkamer hadden aangetroffen met convulsies. Voor haar aankomst op de spoedeisende-hulpafdeling (SEH) had ze in de ambulance reeds meerdere doses diazepam gekregen, echter zonder dat haar toestand veranderde. Bij haar aankomst op de SEH is een oplaaddosis fenytoïne gegeven waardoor de convulsies stopten. Bij la­bo­ra­to­ri­um­on­der­zoek van bloed dat op de SEH was afgenomen, is een therapeutisch gehalte van haar gebruikelijke anti-epileptica gemeten en zijn er geen tekenen van een infectie of metabole verandering. Het toxicologisch onderzoek van haar urinemonster was negatief voor gebruik van drugs. Vervolgens is patiënte opgenomen op de afdeling neurologie voor verdere bewaking.

    Bij haar opname is een standaard-eeg gemaakt. Vlak na dat onderzoek kreeg patiënte weer convulsies en daarom werd intraveneus diazepam toegediend. Bij inspectie van het eeg werd geen epileptiforme activiteit gezien. Vervolgens is patiënte op een video-eeg (v-eeg) aangesloten en werd haar anti-epileptische medicatie afgebouwd en gestaakt. Tijdens die monitoring had patiënte meerdere episoden van convulsieve motorische activiteit, maar geen van alle vergezeld met epileptiforme activiteit op het eeg. Daarna is een psychiatrisch consult aangevraagd.

    Bij het psychiatrisch onderzoek antwoordt patiënte ontkennend op de vraag of ze eerder psychiatrisch is onderzocht, ge­di­a­gnos­ti­ceerd of behandeld. Ook antwoordt ze ontkennend op vragen naar een sombere stemming of veranderingen in de slaap, energie, concentratie of eetlust. Ze heeft geen gedachten over het beschadigen van anderen of zichzelf. Ze heeft geen manische of psychotische klachten. Er zijn geen psychiatrische aandoeningen of mid­de­len­mis­bruik in de familieanamnese. Bij onderzoek wordt een goed verzorgde vrouw gezien, die met eeg-elektroden op het hoofd op bed zit. Ze maakt gemakkelijk contact en is zeer coöperatief. Het oogcontact is sociaal adequaat. De cognitieve tests geven geen afwijkingen.

    Patiënte vertelt dat ze onlangs vanwege haar opleiding naar deze regio is verhuisd; ze heeft veel zin in haar studie en verheugt zich erop ‘mijn carrière eindelijk op de rails te zetten’. Ze antwoordt ontkennend op de vraag naar andere recente psychosociale stressoren behalve deze verhuizing en ze zegt: ‘Mijn leven ziet er eindelijk uit zoals ik het wil.’ Ze is gericht op de toekomst en maakt zich zorgen over de impact van deze insulten op haar gezondheid op de lange termijn. Ook vreest ze dat ze door een mogelijke verlenging van haar opname de eerste schooldagen gaat missen (over precies een week). Bovendien maakt ze zich zorgen over de kosten van haar opname, omdat ze een hoog eigen risico heeft afgesloten bij haar ziek­te­kos­ten­ver­ze­ke­ring.

    Bij bespreking van de v-eeg-metingen met patiënte raakt ze al vrij snel geïrriteerd en vraagt: ‘Dus iedereen denkt dat ik het allemaal verzin?’ Als de behandelaar haar probeert uit te leggen dat hij niet denkt dat ze haar symptomen nabootst, kalmeert haar dat niet, ook niet als hij haar verzekert dat haar symptomen mogelijk afnemen als ze psychotherapie krijgt. Ze trekt de eeg-elektroden van haar hoofd, kleedt zich aan en verlaat het ziekenhuis tegen medisch advies.

    Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.