Chronische lymeziekte

    Robert Boland, MD

    Oscar Caspers is een man van 43 jaar die door zijn vrouw naar de spoedeisende-hulpafdeling (SEH) wordt gebracht, vanwege wat hij noemt een terugval van zijn chronische lymeziekte. Hij vertelt dat hij al een maand zeer vermoeid is, en sinds een week bedlegerig. Hij zegt dat hij te moe en verward is om veel informatie te geven en vraagt het team van de SEH om zijn psychiater te bellen.

    De psychiater meldt dat patiënt reeds meer dan twintig jaar bij hem in behandeling is. Hij kwam aanvankelijk vanwege wat leek op een paniekaanval. Die ging snel over, maar patiënt bleef daarna bij hem in behandeling voor ondersteuning bij het omgaan met zijn chronische ziekte. Destijds studeerde de heer Caspers accountancy, maar die studie heeft hij gestaakt uit angst dat deze te veel eiste van zijn slechte gezondheid en zijn ziekte zou verergeren. Sindsdien wordt hij door zijn vrouw, die verpleegkundige is, onderhouden. Hij vult hun inkomen aan met kleine ac­coun­tan­cy­op­drach­ten, maar hij houdt dat werk bewust beperkt zodat de stress zijn gezondheid niet kan verslechteren.

    In het algemeen voelt patiënt zich lichamelijk en emotioneel goed. Naar zijn inschatting zijn de sporadische perioden van vermoeidheid, ongerustheid en con­cen­tra­tie­pro­ble­men ‘hanteerbaar’ en heeft hij er geen behandeling voor nodig. Hij is afwijzend ten opzichte van alle psychofarmaca en behandelt zijn ziekte met homeopathie, li­chaams­be­we­ging en goede voeding. Als hij op enig moment toch medicatie nodig heeft, gebruikt hij zeer kleine doseringen (bijvoorbeeld een kwart tablet van 0,5 mg lorazepam). Zijn psychiatrische sessies gaan meestal over zijn zorgen over zijn onderliggende ziekte: hij brengt vaak artikelen over chronische lymeziekte mee ter bespreking en hij is als vrijwilliger actief in een regionale steungroep van een vereniging van lymepatiënten.

    Met tussenpozen verergeren de symptomen van patiënt. Dat gebeurt minder dan eens per jaar en bij deze ‘terugvallen’ is er meestal een verband met een duidelijke stressfactor. De ernstigste was een jaar geleden, toen zijn vrouw hem kort verlaten had nadat hij had opgebiecht dat hij een bui­ten­ech­te­lij­ke relatie had. Patiënt geeft aan dat hij zich schaamt voor zijn gedrag ten opzichte van zijn vrouw — zowel voor het vreemdgaan als voor het feit dat hij haar niet kan onderhouden. Daarna heeft hij het contact met de andere vrouw verbroken en meer ac­coun­tan­cy­op­drach­ten aangenomen. De psychiater veronderstelt dat achter zijn huidige symptomen een soortgelijke stress zit.

    De psychiater heeft regelmatig contact met de internist van patiënt. Tot nu toe zijn alle tests op lymeziekte negatief geweest. Als de internist dat aan patiënt vertelt, wordt hij steeds defensief en komt hij met literatuur over de on­nauw­keu­rig­heid van lymetests. Uiteindelijk hebben de internist en de psychiater besloten tot een behoudende behandeling met een neutrale houding ten opzichte van de validiteit van de ziekte.

    Bij onderzoek wordt een gezonde, goed ontwikkelde man gezien. Hij is angstig en spreekt zacht, met gesloten ogen. Hij raakt geregeld de draad van zijn verhaal kwijt, maar komt met enig geduld en aansporing tot een gedetailleerde anamnese die consistent is met het verhaal van de psychiater. Bij het lichamelijk onderzoek worden geen bijzonderheden gevonden. Op lymeziekte wordt niet getest, gezien zijn eerdere negatieve uitslagen. De stan­daard­la­bo­ra­to­ri­um­on­der­zoe­ken leveren geen bijzonderheden op, met uitzondering van een licht verlaagd hemoglobine. Als patiënt dat laatste verneemt, raakt hij gealarmeerd en is hij niet vatbaar voor geruststelling. Hij eist dat het verlaagde Hb nader onderzocht wordt.

    Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.