Somberheid
John W. Barnhill, MD
Voor Victor Anthonijs, een 76-jarige man die een dag na zijn operatie aan een gebroken heup somber leek, is een psychiater ingeschakeld om hem te beoordelen op depressiviteit. Het is al laat in de middag en geen van de leden van het behandelend team is nog aanwezig, maar in zijn dossier staat een notitie van de intakeverpleegkundige dat de heupfractuur waarschijnlijk het gevolg is van een struikelpartij in zijn zeer rommelige woning. Tevens staat in zijn dossier dat er geen kinderen of andere familieleden bekend zijn die nog in leven zijn.
De buurvrouw die de heer Anthonijs naar het ziekenhuis heeft gebracht, heeft vermeld dat patiënt de laatste jaren teruggetrokkener is gaan leven en dat zijn zelfverzorging verslechterd is sinds zijn vrouw een halfjaar geleden is gestorven. Tot de dag van de operatie kon hij echter wel zelfstandig in zijn woning functioneren. De buurvrouw, een verpleegkundige, heeft ook vermeld dat haar man tijdens het wachten op de ambulance bij patiënt is gebleven terwijl zij de woning nazocht op medicijnverpakkingen. Ze heeft daarbij enkel een ongeopende pot paracetamol gevonden en een stoffig potje met medicatie voor hypertensie.
Bij opname zijn de standaardlaboratoriumtests gedaan, waaruit bleek dat patiënt een verhoogd ureum in het bloed heeft, een verlaagd albuminegehalte en een hoog-normaal MCV. Zijn bloeddruk is 160/110 mm Hg. Behalve medicatie omwille van de operatie staat in zijn dossier dat hij 2 mg haloperidol heeft gehad vanwege een plotselinge agitatie. Een uur na die toediening is een verpleegkundige notitie gemaakt dat de patiënt ‘bezorgd en stijf’ was.
Bij het status-mentalisonderzoek wordt een magere man gezien met een licht ingevallen gezicht. Patiënt ligt in een hoek van 45 graden op bed tussen verfrommelde lakens. Behalve van stijfheid lijkt hij ook last van pijn te hebben. Hij reageert niet meteen op de vragen en opmerkingen van de onderzoeker. In het algemeen houdt hij zijn ogen gesloten, maar soms knippert hij er even mee en zijn lichaamshouding impliceert dat hij wakker is. Na meerdere pogingen lukt het de onderzoeker het antwoord ‘Ik mankeer niets’ uit patiënt te krijgen, en daarna ‘Ga weg’. Op de vraag waar hij is, antwoordt patiënt: ‘Thuis.’ Als hij toch zijn ogen opent lijkt hij in verwarring. Hij reageert niet op de rest van de vragen en weigert een kloktekentest te doen. Zijn affect is bedroefd, bezorgd en ingeperkt. Het chirurgisch behandelteam heeft eerder die dag een verpleeghulp opgeroepen, en zij geeft aan dat patiënt overwegend heeft geslapen en anders probeerde uit bed te komen, en dat er de hele dag geen zinnig woord met hem te wisselen is geweest.