Vragen om te bespreken met collega’s en docenten
Vragen om te bespreken met collega’s en docenten
1Een belangrijke verandering bij de classificatie van schizofrenie is de eliminatie van de subtypen (bijvoorbeeld paranoïde, gedesorganiseerd). Waren deze subtypen nuttig? Wat was de reden om ze te schrappen? Zal het ontbreken van deze subtypen de klinische praktijk veranderen?
2Is het moeilijk om de verschillen vast te stellen tussen de kortdurende psychotische stoornis, de schizofreniforme stoornis en schizofrenie? Worden prodromale en subklinische symptoomintervallen op betrouwbare wijze gemeten?
3Zou het feit dat nu vereist wordt dat een stemmingsstoornis ‘het grootste deel’ in plaats van ‘een belangrijk gedeelte’ van de totale ziekteduur aanwezig is, de frequentie waarmee de classificatie schizoaffectieve stoornis wordt toegekend veranderen?
4Volgens de DSM-IV was één symptoom van criterium A voldoende voor het vaststellen van schizofrenie in het geval de wanen bizar waren of de hallucinaties bestonden uit ofwel commentaarstemmen of uit twee of meer stemmen die tegen elkaar spraken. Hoe vaak zou deze uitzonderingsbepaling de vaststelling van schizofrenie in de klinische praktijk bemoeilijkt hebben?