Antwoorden

Antwoorden

1Bij al deze stoornissen moet de duur bij volwassenen minimaal zes maanden zijn.

2De rangorde voor de leeftijd bij aanvang is als volgt: specifieke fobie (mediaan 7–11 jaar); sociale-angststoornis (mediaan 13 jaar); paniekstoornis (mediaan 20–24 jaar).

3De paniekstoornis vereist dat minstens enkele van de paniekaanvallen terugkerend en onverwacht zijn.

4De symptomen van een paniekaanval pieken meestal binnen een paar minuten.

5Mensen met een sociale-angststoornis vrezen de mogelijke beoordeling en afkeuring door anderen.

6Bezorgdheid is een belangrijk kenmerk van de ge­ge­ne­ra­li­seer­de-angststoornis.

7Mensen met een se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis vrezen dat ze gescheiden worden van iemand aan wie ze gehecht zijn, terwijl mensen met agorafobie bang zijn dat ze zich ergens bevinden waar ze niet in staat zullen zijn om te vluchten of hulp te krijgen.

8Voorbeelden van middelen die een angststoornis kunnen opwekken zijn: intoxicatie door alcohol, cocaïne, cafeïne, cannabis, hallucinogenen, inhalantia en fencyclidine; of onttrekking van alcohol, opioïden, cocaïne, hypnotica of anxiolytica.

9De paniekstoornis hangt samen met een groter risico op suïcidepogingen en -gedachten.

10Ja. Niet zelden voldoen mensen met een sociale-angststoornis ook aan de criteria voor andere DSM-5-stoornissen, zoals stoornissen in het gebruik van een middel en de depressieve stoornis.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.