Differentiële diagnostiek

Differentiële diagnostiek

In de differentiële diagnostiek van de pedofiele stoornis dienen de volgende aandoeningen overwogen te worden: andere parafiele stoornissen (bijvoorbeeld een seksueel-sadismestoornis of een voy­eu­ris­me­stoor­nis), antisociale-per­soon­lijk­heids­stoor­nis, stoornissen in het gebruik van een middel, neurocognitieve stoornissen, obsessieve-compulsieve stoornis, verstandelijke beperking (verstandelijke-ont­wik­ke­lings­stoor­nis) en hersenletsel. Het onderscheid tussen een pedofiele stoornis en andere parafiele stoornissen is gelegen in het object van de opwinding (kinderen) en het karakter van het seksuele gedrag (ge­slachts­ge­meen­schap, masturbatie). Sommige mensen met een pedofiele stoornis hebben ook een antisociale-per­soon­lijk­heids­stoor­nis; een per­soon­lijk­heids­stoor­nis biedt echter geen verklaring voor een pedofiele stoornis en moet er niet mee verward worden. Mensen met een stoornis in het gebruik van een middel kunnen gedurende een intoxicatie seks hebben met kinderen, maar hun pedofiele activiteiten vinden meestal alleen tijdens intoxicatie plaats en hebben geen chronisch karakter. Mensen met neurocognitieve stoornissen kunnen de behoefte hebben om een kind te strelen, maar dit gedrag ontwikkelt zich pas op oudere leeftijd en binnen het kader van een neurocognitieve stoornis. Een obsessieve-compulsieve stoornis kan gepaard gaan met obsessies met betrekking tot seks met kinderen, maar mensen met deze stoornis handelen niet naar die dwanggedachte. Mensen met een verstandelijke beperking kunnen een seksuele relatie beginnen met een kind; in dergelijke gevallen kan het van nut zijn om in de differentiële diagnostiek het adaptieve functioneren te beoordelen en het IQ te bepalen. Bij pedofiel gedrag dat zich heeft ontwikkeld na hersenletsel dient het tijdskader in ogenschouw genomen te worden.

Mensen met een pedofiele stoornis kunnen comorbide lijden aan angst of depressiviteit, of een stoornis in het gebruik van een middel of een per­soon­lijk­heids­stoor­nis hebben. Deze stoornissen beïnvloeden mogelijk het beeld van een pedofiele stoornis — depressiviteit kan bijvoorbeeld samenhangen met diepe gevoelens van schuld, die niet per se de pedofiele stoornis betreffen. Pedofiel gedrag kan meer ontregeld raken bij mensen met een stoornis in het gebruik van een middel, vooral tijdens een intoxicatie. De kenmerken van een comorbide antisociale-per­soon­lijk­heids­stoor­nis kunnen ook van invloed zijn op het beeld van een pedofiele stoornis, in de zin dat er dan geen sprake is van lijdensdruk of beperkingen op verschillende terreinen van het functioneren.

Zie de DSM-5 voor andere stoornissen die in de differentiële diagnostiek moeten worden overwogen. Zie ook de informatie over comorbiditeit en differentiële diagnostiek onder de betreffende stoornissen in de DSM-5.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.