Medicatie-geïnduceerd parkinsonisme
Medication-induced parkinsonism
G21.1
- Parkinsonisme door antipsychotica en andere dopamineantagonisten
G21.1
- Parkinsonisme door andere medicatie
Medicatie-geïnduceerd parkinsonisme staat, na de ziekte van Parkinson, op de tweede plaats van de meest voorkomende oorzaken van parkinsonisme. De aandoening gaat samen met significante morbiditeit, invaliditeit en therapieontrouw, vooral onder mensen met psychische stoornissen. Omdat vroege herkenning belangrijk is, dient elk nieuw geval van parkinsonisme clinici aan te zetten tot een grondige medicatieanamnese, wat voor het vaststellen van medicatie-geïnduceerd parkinsonisme essentieel is. Tussen de start van de medicatie en het begin van het parkinsonisme zou een duidelijk temporeel verband moeten bestaan. Veel van de middelen die worden voorgeschreven aan mensen met een psychische stoornis kunnen parkinsonisme veroorzaken, maar medicatie-geïnduceerd parkinsonisme wordt het vaakst gezien na blootstelling aan antipsychotica die dopamine D2-receptoren blokkeren. Medicatie-geïnduceerd parkinsonisme komt vaker voor bij antipsychotica met een affiniteit voor de dopamine D2-receptor, zoals haloperidol, pimozide, sulpiride en risperidon; er zijn echter geen verschillen in klinische kenmerken van parkinsonisme tussen de eerste- en tweedegeneratieantipsychotica.
Andere geneesmiddelen die parkinsonisme kunnen veroorzaken zijn: calciumantagonisten (zoals flunarizine en cinnarizine), medicatie die kan leiden tot dopaminedepletie (zoals tetrabenazine), anti-epileptica (zoals fenytoïne, valproaat en levetiracetam), antidepressiva (zoals SSRI’s en MAO-remmers), lithium, chemotherapeutische middelen (zoals cyclofosfamide, vincristine, doxorubicine, paclitaxel, etoposide) en immunosuppressiva (zoals ciclosporine, tacrolimus). Toxinen (zoals 1-methyl-4-fenyl-1,2,3,6-tetrahydropyridine (MPTP), pesticiden op basis van organofosforverbindingen, mangaan, methanol, cyanide, koolstofmonoxide en koolstofdisulfide) kunnen eveneens leiden tot parkinsonisme.
Het tijdsbestek waarin medicatie-geïnduceerd parkinsonisme zich ontwikkelt, varieert. Doorgaans ontstaat parkinsonisme binnen een paar weken na het starten of verhogen van de dosis van een middel waarvan bekend is dat het parkinsonisme kan veroorzaken, of na het verlagen van de dosis van een antiparkinsonmiddel (bijvoorbeeld een middel met een anticholinerge werking) dat wordt ingezet in de behandeling of ter preventie van medicatie-geïnduceerde symptomen van dystonie of parkinson. Medicatie-geïnduceerd parkinsonisme kan snel na het starten met een geneesmiddel of het verhogen van de dosis ontstaan, maar kan ook een sluipend begin hebben na vele maanden blootstelling aan het middel. Bij antipsychotica en andere dopamineantagonisten ontwikkelt parkinsonisme zich doorgaans binnen twee tot vier weken, en meestal tegen de drie maanden, na het starten met de medicatie. Vooral bij calciumantagonisten zijn er meldingen van een tweede piek van symptomen na ongeveer één jaar.
De gerapporteerde percentages medicatie-geïnduceerd parkinsonisme zijn minder betrouwbaar vanwege het ontbreken van standaard classificatiecriteria, foutief classificeren of verkeerd toeschrijven van verschijnselen van medicatie-geïnduceerd parkinsonisme aan een lewylichaampjesziekte (bijvoorbeeld de ziekte van Parkinson) of een psychische stoornis, en meer algemeen door het niet herkennen van de ziekte, vooral bij lichte gevallen. Volgens schattingen ontwikkelt minstens 50% van de ambulante patiënten die langdurig behandeld worden met eerstegeneratieantipsychotica op een bepaald moment in het verloop van de behandeling klachten of verschijnselen van parkinsonisme.
Er zijn geen klinische kenmerken waarmee medicatie-geïnduceerd parkinsonisme op een betrouwbare wijze van de ziekte van Parkinson is te onderscheiden. Omdat de motorische klachten en verschijnselen bij de ziekte van Parkinson unilateraal beginnen en zich asymmetrisch ontwikkelen, vormt een subacuut begin van bilateraal parkinsonisme enkele weken na het starten met een antipsychoticum of een ander middel dat parkinsonisme kan veroorzaken, een sterke aanwijzing voor medicatie-geïnduceerd parkinsonisme. De parkinsonverschijnselen zijn bij deze aandoening vaak symmetrisch, maar asymmetrische patronen zijn niet ongewoon en mogen geen grond zijn voor het uitsluiten van medicatie-geïnduceerd parkinsonisme. Bovendien moeten het beloop en het klinische beeld van parkinsonisme niet beter te verklaren zijn door psychiatrische fenomenen als katatonie en negatieve symptomen bij schizofrenie, of door psychomotorische vertraging bij een depressieve episode, andere bewegingsstoornissen die niet door medicatie worden veroorzaakt, andere neurologische of somatische aandoeningen (zoals de ziekte van Parkinson, de ziekte van Wilson) of exacerbatie van de ziekte van Parkinson door antipsychotica.
Bij medicatie-geïnduceerd parkinsonisme is vaker sprake van rigiditeit en bradykinesie, terwijl een tremor minder vaak voorkomt en zelfs afwezig kan zijn. De parkinsontremor wordt wel omschreven als ‘geld tellen’ en is een gestage, ritmisch trillende beweging (drie tot zes cycli per seconde) die in rust waarneembaar is en doorgaans langzamer is dan andere tremoren. De tremor kan intermitterend, unilateraal of bilateraal, of afhankelijk van de positie van de ledemaat (positionele tremor) optreden. De tremor kan de ledematen, kaak, mond, lippen of tong betreffen. Aangezien de tremor in rust aanwezig is, is deze te onderdrukken, vooral wanneer de betrokkene iets met de aangedane ledemaat probeert te doen. Betrokkenen beschrijven de tremor soms als ‘schudden’, en melden dat deze bij spanning, stress of vermoeidheid verergert.
De rigiditeit bij parkinsonisme wordt ervaren als een onwillekeurige stijfheid en inflexibiliteit van de spieren van de ledematen, schouders, hals of romp. De beoordeling van de rigiditeit gebeurt aan de hand van de spiertonus of de hoeveelheid weerstand die de onderzoeker ondervindt wanneer deze een ledemaat passief rond een gewricht laat bewegen (en daarbij de spieren rekt). Bij het zogeheten ‘lodenpijpfenomeen’ is de verhoogde spierspanning constant bij de gehele bewegingsuitslag aanwezig (dit in tegenstelling tot de spasticiteit bij het zogenoemde ‘knipmesfenomeen’). Het ‘tandradfenomeen’ betreft mogelijk een tremor die op rigiditeit is gesuperponeerd. Dit fenomeen wordt meestal in de polsen en ellebogen waargenomen en wordt ervaren als een ritmische weerstand als bij een ratel (schokjes van een tandrad) als de spieren passief rond een gewricht worden bewogen. Mensen met rigiditeit bij parkinsonisme kunnen last hebben van gegeneraliseerde spierpijn of -stijfheid, stramheid van de ledematen, spier- of gewrichtspijn, gegeneraliseerde pijn of een gebrek aan coördinatie.
Hypokinesie en akinesie zijn te observeren als een respectievelijk verminderde of afwezige spontane motorische activiteit. Er is sprake van een algeheel vertragen, en ook van traagheid bij het initiëren en uitvoeren van bewegingen (bradykinesie). Het kan lastig zijn om alledaagse activiteiten (zoals de uiterlijke verzorging) op een normale manier uit te voeren, en deze activiteiten kunnen afnemen. Mensen kunnen klagen over lusteloosheid, gebrek aan spontaniteit en energie, of vermoeidheid. Rigiditeit en bradykinesie manifesteren zich bij parkinsonisme als afwijkingen in het looppatroon, inclusief een afname van de schredelengte, armzwaai of algehele spontaniteit van het lopen. Andere verschijnselen zijn een voorovergebogen houding met gebogen hoofd en afhangende schouders, een starre gezichtsuitdrukking en lopen met kleine, schuifelende stappen. Door een afname van de motorische activiteit van de farynx en verminderd slikken, kan de betrokkene gaan kwijlen, maar mogelijk komt dit minder vaak voor bij parkinsonisme door antipsychotica, vanwege de anticholinerge werking van deze medicatie in vergelijking met andere medicatie die parkinsonisme veroorzaakt.
Medicatie-geïnduceerd parkinsonisme gaat gepaard met een toename van loopstoornissen en valincidenten, en leidt vaak tot plaatsing in een zorginstelling. Daarom wordt de aandoening gezien als een ernstige iatrogene bewegingsstoornis bij ouderen en is het belangrijk dat die snel wordt herkend en vroeg wordt gediagnosticeerd. Bijkomende gedragssymptomen zijn onder andere depressiviteit en een verergering van de negatieve symptomen van schizofrenie. Andere klachten en verschijnselen van parkinsonisme zijn onder andere: een klein handschrift (micrografie), een verminderde motorische vaardigheid, hypofonie, een verminderde braakreflex, dysfagie, houdingsinstabiliteit, minder gelaatsuitdrukking en oogknipperen, en seborroe. Wanneer het parkinsonisme gepaard gaat met een ernstig verminderde motorische activiteit kan dit leiden tot somatische complicaties, zoals contracturen, decubitus, longembolie, urine-incontinentie, aspiratiepneumonie, gewichtsverlies en heupfracturen.
Consistente risicofactoren zijn: het vrouwelijk geslacht, een hogere leeftijd, cognitieve beperkingen, andere gelijktijdig voorkomende neurologische aandoeningen, hiv-infectie, een familieanamnese met de ziekte van Parkinson, en ernstige psychische stoornissen. Parkinsonisme dat na het gebruik van antipsychotica ontstaat, is ook bij kinderen gemeld. Het risico op medicatie-geïnduceerd parkinsonisme neemt af wanneer betrokkenen anticholinerge medicatie gebruiken.