Specificaties van persoonlijkheidstrekken en van het persoonlijkheidsfunctioneren kunnen gebruikt worden om aanvullende persoonlijkheidskenmerken te registreren die aanwezig kunnen zijn bij een narcistische-persoonlijkheidsstoornis, maar die zijn niet vereist voor de classificatie. Bijvoorbeeld: andere facetten van antagonisme (zoals manipulatief gedrag, leugenachtigheid, ongevoeligheid) zijn weliswaar geen classificatiecriteria voor de narcistische-persoonlijkheidsstoornis (zie criterium B), maar kunnen wel worden gespecificeerd, wanneer meer pervasieve antagonistische trekken (bijvoorbeeld ‘maligne narcisme’) aanwezig zijn. Andere facetten van negatieve affectiviteit (bijvoorbeeld depressiviteit, ongerustheid) kunnen worden gespecificeerd om de meer ‘kwetsbare’ kant te beschrijven. Een matige of ernstigere beperking in het persoonlijkheidsfunctioneren is vereist voor de classificatie narcistische-persoonlijkheidsstoornis (criterium A), maar daarnaast kan ook het niveau van persoonlijkheidsfunctioneren worden gespecificeerd.