Posttraumatische-stressstoornis
a Inclusie: Vereist is blootstelling aan een feitelijke of dreigende dood, ernstige verwonding of seksueel geweld. De blootstelling kan direct zijn, of door er getuige van te zijn. Daarbij moet de betreffende persoon minstens één van de volgende intrusieve symptomen hebben gedurende minimaal één maand na de psychotraumatische gebeurtenis.
i Herinneringen: Heeft u na die gebeurtenis herinneringen gehad die zich opdrongen, terwijl u er helemaal niet aan wilde denken? Bij kinderen is een herhaaldelijk naspelen van de gebeurtenis voldoende. Speel je die gebeurtenis vaak na met je speelgoed of je poppen?
ii Dromen: Heeft u herhaaldelijk onaangename dromen die te maken hebben met de gebeurtenis? Bij kinderen zijn angstaanjagende dromen zonder herkenbare inhoud voldoende. Heb je vaak heel angstige dromen die je later niet meer weet of die je niet kunt navertellen?
iii Flashbacks: Heeft u na die gebeurtenis ooit het gevoel gehad dat het weer gebeurde, bijvoorbeeld door een flashback waarin u alles opnieuw beleefde? Bij kinderen kan dit tijdens het spelen worden geobserveerd.
iv Lijdensdruk bij blootstelling: Heeft u een hevig en langdurig angstgevoel in situaties met mensen, plaatsen en dingen die u aan die gebeurtenis herinneren?
v Fysiologische reacties: Heeft u vervelende lichamelijke klachten bij het denken aan of zien van mensen, plaatsen of dingen die u aan die gebeurtenis herinneren?
b Inclusie: Daarnaast moet de betreffende persoon minimaal een maand na de psychotraumatische ervaring minstens één van de volgende vermijdingssymptomen hebben.
i Interne prikkels: Doet u er alles aan om gedachten, gevoelens of lichamelijke ervaringen die herinneringen oproepen aan de gebeurtenis uit de weg te gaan?
ii Externe prikkels: Doet u er alles aan om mensen, plaatsen en dingen uit de weg te gaan die herinneringen oproepen aan de gebeurtenis?
c Inclusie: Daarnaast moet de persoon sinds minimaal een maand minstens twee van de volgende negatieve symptomen vertonen.
i Beperkte herinnering: Heeft u moeite zich belangrijke stukken van de gebeurtenis te herinneren?
ii Negatief zelfbeeld: Denkt u vaak negatief over uzelf, andere mensen of de wereld?
iii (Zelf)beschuldiging: Geeft u vaak uzelf of anderen de schuld van de gebeurtenis, ook al weet u dat dit niet terecht is?
iv Negatieve gemoedstoestand: Bent u het grootste deel van de tijd somber, boos, beschaamd of bang?
v Verminderde participatie: Heeft u veel minder interesse in activiteiten waaraan u vroeger wel deelnam?
vi Onthechting: Voelt u zich door die gebeurtenis onthecht of vervreemd van de mensen om u heen?
vii Onvermogen om positieve emoties te ervaren: Merkt u dat het u niet lukt zich gelukkig, geliefd of voldaan te voelen? Voelt u zich afgestompt, of alsof u niet kunt liefhebben?
d Inclusie: Daarnaast moet iemand minimaal twee van de volgende tekenen van arousal vertonen.
i Prikkelbaar of agressief: Bent u vaak erg humeurig of agressief?
ii Roekeloos: Gedraagt u zich vaak roekeloos of zelfdestructief?
iii Hypervigilantie: Voelt u zich altijd op uw hoede of gespannen?
iv Overdreven schrikreacties: Schrikt u snel?
v Concentratieproblemen: Heeft u vaak moeite zich te concentreren op een taak of probleem?
vi Slaapstoornis: Heeft u vaak moeite met inslapen of doorslapen, of bent u ’s ochtends vaak niet goed uitgerust?
e Exclusie: De episode is geen direct gevolg van een middel of een somatische aandoening.
f Aanvullende kenmerken
i Subtypen
► Met dissociatieve symptomen, depersonalisatie dan wel derealisatie
► Posttraumatische-stressstoornis bij kinderen van 6 jaar en jonger: Bedoeld voor kinderen jonger dan 7 jaar, die zelf een psychotraumatische ervaring gehad hebben, getuige zijn geweest van een traumatische gebeurtenis of vernomen hebben dat deze een ouder of andere verzorger is overkomen (classificatiecriteria).
ii Specificaties
► Met uitgestelde expressie: Als iemand minstens het eerste halfjaar na de gebeurtenis niet volledig voldoet aan de classificatiecriteria.
g Andere mogelijkheden
i Als de episode korter duurt dan een maand en de symptomen in de afgelopen maand optraden, waarbij de betreffende persoon minimaal negen van de hiervoor beschreven posttraumatische symptomen had, kunt u denken aan de acute-stressstoornis.
ii Als de episode binnen drie maanden na de psychotraumatische ervaring is begonnen en deze niet voldoet aan de symptomatische en gedragscriteria voor de posttraumatische-stressstoornis, kunt u denken aan de aanpassingsstoornis. De criteria hiervoor omvatten een duidelijke lijdensdruk die niet in verhouding is met een acute stressor van traumatische of niet-traumatische aard, en significante beperkingen in het functioneren.
iii Als iemand symptomen heeft die kenmerkend zijn voor een psychotrauma- en stressorgerelateerde stoornis en die klinisch significante lijdensdruk of beperkingen veroorzaken, maar die niet volledig voldoen aan de criteria voor een van de genoemde stoornissen, dan kunt u denken aan de classificatie ongespecificeerde psychotrauma- of stressorgerelateerde stoornis. Wilt u de specifieke reden vermelden waarom iemand niet aan de criteria voor een specifieke psychotrauma- of stressorgerelateerde stoornis voldoet, overweeg dan de classificatie andere gespecificeerde psychotrauma- of stressorgerelateerde stoornis. Voorbeelden hiervan zijn een persisterende complexe rouwstoornis en een aan de aanpassingsstoornis verwante stoornis met een uitgesteld begin van symptomen die meer dan drie maanden na de stressor optreden.