Hier in deel III staan alternatieve classificatiecriteria voor de antisociale-, vermijdende-, borderline-, narcistische-, dwangmatige- en schizotypische-persoonlijkheidsstoornissen.In de DSM-IV heetten de vermijdende- en de dwangmatige- persoonlijkheidsstoornis nog ontwijkende en obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis. Deze persoonlijkheidsstoornissen worden gekenmerkt door specifieke beperkingen in het persoonlijkheidsfunctioneren (criterium A) en door kenmerkende pathologische persoonlijkheidstrekken (criterium B).
Typische kenmerken van de antisociale-persoonlijkheidsstoornis zijn het onvermogen zich te conformeren aan de wet en zich verantwoordelijk te gedragen, en een egocentrisch, gevoelloos gebrek aan zorgzaamheid voor anderen, gepaard gaande met leugenachtigheid, onverantwoordelijkheid, manipulatie en/of risicovol gedrag.
Typische kenmerken van de vermijdende-persoonlijkheidsstoornis zijn sociale situaties vermijden, geremdheid binnen interpersoonlijke relaties gerelateerd aan gevoelens van onbeholpenheid en insufficiëntie, angstige preoccupatie met negatieve beoordeling en afwijzing, en de angst om uitgelachen of in verlegenheid gebracht te worden.
Typische kenmerken van de borderline-persoonlijkheidsstoornis zijn de instabiliteit van het zelfbeeld, van persoonlijke doelstellingen, van interpersoonlijke relaties en van affecten, gepaard gaande met impulsiviteit, risicovol gedrag en/of vijandigheid.
Typische kenmerken van de narcistische-persoonlijkheidsstoornis zijn het wisselende en kwetsbare gevoel van eigenwaarde, met pogingen dat te reguleren door aandacht en goedkeuring te zoeken, gepaard gaande met ofwel openlijke ofwel bedekte grandiositeit.
Typische kenmerken van de dwangmatige-persoonlijkheidsstoornis zijn problemen in het aangaan en onderhouden van hechte relaties, gepaard gaande met een rigide perfectionisme, inflexibiliteit en ingeperkte uitingen van emoties.
Typische kenmerken van de schizotypische-persoonlijkheidsstoornis zijn beperkingen in het vermogen tot het aangaan van sociale en hechte relaties, excentrieke cognities, percepties en gedragingen, die gekoppeld zijn aan een verstoord zelfbeeld en onsamenhangende persoonlijke doelen, en die gepaard gaan met achterdocht en ingeperkte uitingen van emoties.
Het A- en het B-criterium voor de zes specifieke persoonlijkheidsstoornissen en voor de trekgespecificeerde persoonlijkheidsstoornis komen hier aan bod. Alle persoonlijkheidsstoornissen dienen ook te voldoen aan de criteria C tot en met G van de algemene criteria voor een persoonlijkheidsstoornis.