De criteria voor de voy­eu­ris­me­stoor­nis zijn zodanig opgesteld dat ze gelden voor zowel mensen die hun parafiele interesses vrijelijk toegeven als voor hen die ondanks substantiële objectieve tegenbewijzen ontkennen enige seksuele opwinding te beleven aan het kijken naar een niets­ver­moe­den­de persoon die naakt, zich aan het uitkleden of seksueel actief is. Als mensen die hun gedrag toegeven ook rapporteren dat ze door hun voyeuristische seksuele preferenties persoonlijke lijdensdruk of psychosociale problemen ondervinden, kan de classificatie voy­eu­ris­me­stoor­nis worden toegekend. Als ze echter zeggen niet te lijden onder deze parafiele impulsen, wat blijkt uit de afwezigheid van angst, obsessies, schuldgevoelens of schaamte, en ze ondanks hun seksuele interesse geen beperkingen ervaren in het functioneren op andere belangrijke terreinen, en bovendien uit hun psychiatrische anamnese of juridische voor­ge­schie­de­nis blijkt dat ze er niet naar handelen, dan kan worden vastgesteld dat ze een voyeuristische seksuele interesse hebben, maar mag de classificatie voy­eu­ris­me­stoor­nis niet worden toegekend.

Tot de mensen die niets over hun gedrag vertellen behoren bijvoorbeeld mensen van wie bekend is dat ze herhaaldelijk en bij verschillende gelegenheden heimelijk hebben gekeken naar niets­ver­moe­den­de personen die naakt of seksueel actief waren, terwijl ze het seksuele verlangen naar of fantasieën over dergelijk seksueel gedrag ontkennen. Ze beweren verder dat incidenten waarbij ze niets­ver­moe­den­de naakte of seksueel actieve personen hebben bekeken, louter toevallig en niet-seksueel van aard waren. Anderen vertellen misschien dat ze in het verleden naar niets­ver­moe­den­de naakte en seksueel actieve personen hebben gekeken, maar bestrijden dat ze een grote en aanhoudende seksuele interesse hebben in dergelijk gedrag. Omdat deze mensen ontkennen dat ze over het kijken naar naakte of seksueel actieve personen fantaseren of dat ze de drang voelen om naar deze personen te kijken, zullen ze ook weigeren toe te geven dat deze seksuele impulsen persoonlijke lijdensdruk of sociale beperkingen veroorzaken. Ondanks hun weigering om er iets over te vertellen kunnen deze mensen de classificatie voy­eu­ris­me­stoor­nis krijgen. Recidiverend voyeuristisch gedrag levert voldoende bewijs op voor voyeurisme (criterium A) en toont tegelijkertijd aan dat dit parafiele gedrag anderen schade berokkent (criterium B).

Het ‘recidiverend’ heimelijk naar niets­ver­moe­den­de personen kijken die naakt of seksueel actief zijn, kan geïnterpreteerd worden als: er moeten meerdere slachtoffers zijn, elk op een afzonderlijk moment. Dit vereiste is relevant, omdat dit het oordeel van de clinicus dat de betrokkene gedreven wordt door een voy­eu­ris­me­stoor­nis onderbouwt. Bij een kleiner aantal slachtoffers kan ook aan dit criterium zijn voldaan wanneer er meerdere momenten zijn geweest waarop de betrokkene hetzelfde slachtoffer bekeek, of bij overtuigend bewijs van een sterke interesse of preferentie voor het heimelijk bekijken van naakte of seksueel actieve niets­ver­moe­den­de personen. Bedenk dat de aanwezigheid van meerdere slachtoffers, zoals eerder opgemerkt, een voldoende maar geen noodzakelijke voorwaarde is voor het toekennen van de classificatie. Er kan immers ook aan de criteria worden voldaan als de betrokkene een intense voyeuristische seksuele interesse toegeeft.

Gedurende de adolescentie en puberteit nemen de seksuele nieuws­gie­rig­heid en activiteit meestal toe. Om het risico te verkleinen dat een normale seksuele interesse en normaal seksueel gedrag gedurende de puberteit ge­pa­tho­lo­gi­seerd worden, is vastgelegd dat 18 jaar de minimumleeftijd is waarop de classificatie voy­eu­ris­me­stoor­nis mag worden toegekend (criterium C).

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.