Antidepressiva-dis­con­ti­nu­e­rings­syn­droom

Antidepressant discontinuation syndrome

T88.8

Na behandeling met alle typen antidepressiva kunnen dis­con­ti­nu­e­rings­symp­to­men optreden. De incidentie van dit syndroom hangt af van de dosering en de halfwaardetijd van de medicatie die wordt gebruikt, en ook van de snelheid waarmee de medicatie wordt afgebouwd. Geneesmiddelen met een korte halfwaardetijd die abrupt worden gestaakt (of waarvan de dosis aanzienlijk wordt verlaagd) in plaats van geleidelijk afgebouwd, vormen mogelijk het grootste risico. De kortwerkende antidepressiva paroxetine en venlafaxine zijn de middelen die het meest met dis­con­ti­nu­e­rings­symp­to­men in verband worden gebracht. Het antidepressiva-dis­con­ti­nu­e­rings­syn­droom kan optreden in de context van intermitterende therapieontrouw en kan daardoor ook onregelmatig aanwezig zijn bij mensen die feitelijk niet met de medicatie zijn gestopt. Dit geldt vooral voor medicatie met een zeer korte halfwaardetijd (zoals venlafaxine). Dit in tegenstelling tot geneesmiddelen met een lange halfwaardetijd, zoals fluoxetine, die zelden belangrijke dis­con­ti­nu­e­rings­ef­fec­ten veroorzaken.

Anders dan de ont­trek­kings­syn­dro­men van opioïden, alcohol en andere middelen, heeft het antidepressiva-dis­con­ti­nu­e­rings­syn­droom geen pa­tho­gno­mo­ni­sche symptomen. In plaats daarvan zijn de symptomen vaak onduidelijk en wisselend, en beginnen ze doorgaans twee tot vier dagen na de laatste dosis van het antidepressivum. Bij SSRI’s zijn symptomen gerapporteerd als duizeligheid, tinnitus, het gevoel van ‘elektrische schokken’, insomnia en acute angst. Het gebruik van het antidepressivum voorafgaand aan het staken moet geen hypomanie of episode met gemengde kenmerken hebben opgewekt (men dient er zeker van te zijn dat het dis­con­ti­nu­e­rings­syn­droom niet het resultaat is van fluctuaties in de stemming die samenhangen met de eerdere behandeling). Bij tricyclische antidepressiva kan plotselinge discontinuering samengaan met gastro-intestinale klachten (kramp, wijzend op cholinerge overactiviteit na het staken van tricyclische antidepressiva met anticholinerge werking) en hypomanie als re­bound­ver­schijn­sel.

Het antidepressiva-dis­con­ti­nu­e­rings­syn­droom berust alleen op de farmacologische factoren en heeft geen verband met de positief bekrachtigende effecten van een antidepressivum. Anders dan bij de onttrekking van middelen met positief bekrachtigende effecten, zoals opioïden, treedt er geen hunkering (craving) op. Ook wanneer een stimulerend middel aan een antidepressivum wordt toegevoegd (augmentatie) kan het abrupt staken van de behandeling leiden tot ont­trek­kings­symp­to­men bij stimulantia (zie de paragraaf ‘Ont­trek­kings­syn­droom van een stimulantium’ in het hoofdstuk ‘Mid­del­ge­re­la­teer­de en ver­sla­vings­stoor­nis­sen’) in plaats van tot het antidepressiva-dis­con­ti­nu­e­rings­syn­droom dat hier wordt beschreven.

De prevalentie van het antidepressiva-dis­con­ti­nu­e­rings­syn­droom is niet bekend, maar hangt waarschijnlijk af van een of meer van de volgende factoren: de dosering die wordt gebruikt voorafgaand aan het staken van de behandeling, de halfwaardetijd (het syndroom treedt vaker op bij medicatie met een korte halfwaardetijd) en de re­cep­tor­bin­dings­af­fi­ni­teit van het geneesmiddel, en eventueel de genetisch bepaalde me­ta­bo­lis­me­snel­heid van de betrokkene voor dit geneesmiddel. Dis­con­ti­nu­e­rings­re­ac­ties treden dus vaker op bij geneesmiddelen met een korte halfwaardetijd, maar worden mogelijk ook beïnvloed door een snelle of zeer snelle metabolisering door de cytochrome enzymen die het antidepressivum afbreken.

Omdat er geen longitudinale onderzoeken zijn uitgevoerd, is er weinig bekend over het klinische beloop van het antidepressiva-dis­con­ti­nu­e­rings­syn­droom. Wanneer de dosering zeer geleidelijk wordt afgebouwd, nemen de symptomen in de loop van de tijd af. Na een episode willen sommige mensen de behandeling met dergelijke medicatie voor onbepaalde tijd hervatten, als zij deze verdragen. De symptomen houden doorgaans niet lang aan, vaak niet langer dan twee weken, en treden zelden later dan drie weken na het staken van het middel op.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.